30 mei 2010

Klimmen

Zes dagen in de alpen:
- 432 kilometer gefietst
- 149 kilometer geklommen
- 8967 hoogtemeters overwonnen
- gemiddeld stijgingspercentage 6,01 procent
- gemiddelde snelheid plusminus 22 kilometer per uur
Bedwongen bergen van naam:
- Col d'Ornon (de makkelijkste, van beide kanten)
- Col de la Croix de Fer (de beroemdste)
- Col de la Morte (de zwaarste)
- Alpe d'Huez (vanaf Alemont tot Huez)
- La Bérarde (de mooiste)
- Col de Sarenne (de meest legendarische; zie foto)
Conclusies: ik kan beter klimmen dan vorig jaar, maar het dalen is nog minder geworden. 't Is niet anders. Later meer.

14 mei 2010

Vier op een rij

Dat een zo'n jonge stier denkt: 'Ach, laat ik eens op die hoop grond gaan staan die mijn baas daar heeft opgeworpen', dat begrijp ik nog wel. En dat zijn broertje vervolgens een kijkje komt nemen, dat snap ik ook nog. Maar dat vier van die pinken die hoop beklimmen en daar vervolgens zij aan zij op blijven staan, daar kan ik dus niet bij. En dan vervolgens ook nog een beetje met zijn allen dom naar een voorbijkomende fietser gaan staan staren! Wat bezielt die beesten? Niks waarschijnlijk. Een beetje lekker staan, met je hoeven in de zwarte aarde. Wat moet je anders, als jonge stier zijnde? Nou, lekker op de grond in het gras liggen bijvoorbeeld, zoals die andere twee, achter die hoop grond.

13 mei 2010

Houtverlangen


Ik wil naar het hout. Maar de wind staat verkeerd. Noordwest in plaats van oost. En het hout ligt in het Salland, natuurlijk. Wat nu? 'It don't hurt anymore', zingt Johnny Cash. De meest logische windoptie is Kampereiland. Maar daar is geen hout. En de polder is deprimerend als het zo bewolkt is. 'It's water; cool, clear water', zingt Johnny (of zingt-ie 'cruel'?). Die industrie bij Kampen en Hasselt. Mastenbroek, het lelijkste stuk land hier in de omgeving. Ik wil bruin, oranjeachtig hout! 'I dreamed that all the world agreed to put an end to war', zingt Johnny. De Weerribben kan ook, natuurlijk. Maar daar was ik zondag al. Boswachterij Staphorst dan? Hout alom! En dan door naar het graf van mijn hardloper. Maar dan heb je dat vervelende stuk bij Nieuwleusden. 'Until we meet again', zingt Johnny. Of toch maar thuis op de bank? Verder lezen in Numeri. Of The Old Way. Eerst maar een cappuccino.

11 mei 2010

Schijngevechten over doping

Er is weer eens een dopingdiscussie losgebarsten. Karl Vannieuwkerke en Maarten Ducrot hebben er zelfs ruzie over. Zwart-wit gesteld komt het hierop neer: Karl de Dopingheilige tegenover Maarten de Dopingrealo. Zoals gebruikelijk zijn het weer schijngevechten die gevoerd worden en komt de fundamentele discussie niet aan bod. Daarom op deze plek maar eens een herplaatsing van een opinieartikel dat ik negen jaar geleden schreef, toen ik nog wielerjournalist was van het Nieuwsblad van het Noorden. Nog steeds actueel en het kan prima als eerste aanzet dienen voor een fundamentele discussie. Wel even doorbijten want het is een lang verhaal. En vergeet ook het naschrift niet te lezen!

DE WANKELE BASIS VAN HET DOPINGVERBOD (NvhN, juli 2001)
De discussie over doping is weer in alle hevigheid losgebarsten na de recente schandalen in de Giro d'Italia en het verhoogde nandrolon gehalte bij Edgar Davids en Frank de Boer. Terwijl de voetballers nog op de nodige clementie mogen rekenen in de publieke opinie, worden de wielrenners als vanouds behandeld als zondaars en criminelen. Want dopinggebruik is een misdaad tegen de sport, zo is de algemene opvatting. En wie voor vrijgave van doping durft te pleiten, is al bijna even erg. Joop Atsma, voorzitter van de Nederlandse wielerbond KNWU en Tweede Kamerlid voor het CDA, stelde zelfs onlangs in het tv programma Rondom Tien, voorstanders van vrijgave medeverantwoordelijk voor de dood van dopinggebruikers. Maar waarom is het gebruik van doping nu eigenlijk zo verwerpelijk?
Argumenten
Het verbod op dopinggebruik in de sport wordt doorgaans met twee inhoudelijke argumenten (of afgeleiden ervan) gerechtvaardigd: (1) dopinggebruik is oneerlijk en (2) dopinggebruik is schadelijk voor de gezondheid. Waarheden als koeien waar weinig op af lijkt te dingen, zo op het eerste gezicht. Maar hoe sterk zijn deze argumenten werkelijk?
Oneerlijkheid in de sport begint al in de genen. De ene sporter heeft meer talent dan de andere. Iemand die 2.10 meter lang is, is als basketballer een stuk beter af dan iemand die 1.60 meter lang is. En als skiër kun je beter in Zwitserland wonen dan in Nederland. Ongelijkheid in aanleg en prestatievermogen is de basis van alle sportactiviteiten. Als iedereen precies hetzelfde zou kunnen, zou er geen competitie mogelijk zijn.
Maar vergroot dopinggebruik de al bestaande verschillen dan niet? Ja, maar doping is allerminst het enige middel waarmee sporters hun natuurlijke grenzen pogen te verleggen. Trainingsarbeid, hoogtestages, hogedruktenten, speciale voeding, materiaalontwikkeling, medische begeleiding; in de topsport blijft geen middel onbeproefd om prestaties te verbeteren. Zijn die middelen eerlijker dan doping? Waarom zou je op basis van een streven naar eerlijke krachtmeting doping wel verbieden, terwijl ondertussen de ene sporter tien keer zoveel geld ter beschikking heeft voor begeleiding en materiaal dan de andere? Kortom, waarom de grens leggen bij dopinggebruik? Het feit dat dopinggebruik de capaciteit van sporters om een bepaalde prestatie te leveren vergroot, kan niet als zodanig als geldig argument voor het verbod op doping worden gebruikt.
Gezondheid
Dat het gebruik van doping schadelijk kan zijn voor de gezondheid behoeft geen betoog. De voorbeelden van dopingslachtoffers in de sport zijn legio: Tom Simpson, de epo-wielerdoden in de jaren '80, de voormalige Oostblok-sporters. Maar ook voor het gezondheidsargument moet je je afvragen of het een rationeel geldig argument is. Niet alleen dopinggebruik kan schadelijk zijn voor de gezondheid, ook overbelasting, overtraining en het voortdurend verleggen van de lichamelijke grenzen is geen gezonde bezigheid. Om nog maar te zwijgen van de gezondheidsrisico's die boksers, autosporters en motorsporters lopen bij het uitoefenen van hun sport.
Topsport is domweg geen gezonde bezigheid. Dus waarom zou om redenen van gezondheid juist dopinggebruik verboden moeten worden? Is het niet logischer om de gezondheidsrisico's van dopinggebruik over te laten aan de verantwoordelijkheid van de sporters zelf, zoals dat ook bij andere maatschappelijke activiteiten het geval is? Of een concertpianist tijdens een pianoconcours onder de betablokkers zit of niet, interesseert niemand. Dat hij of zij wint mede dankzij het gebruik van kalmerende middelen met schadelijke neveneffecten, zal ons worst zijn. Waarom de farmacologische beperkingen alleen opleggen aan atleten?
De prijs die betaald wordt voor het bereiken van de maatschappelijke top, op welk gebied dan ook, is een keuze die je als mens zelf maakt. Waarom zou een sporter die keuze niet mogen maken? Vanwaar het paternalisme van sportorganisaties? Als ondersteunend argument wordt nog wel eens aangevoerd dat het vrijgeven van doping zou leiden tot ongebreidelde farmacologische experimenten op alle niveau's, dus ook bij de breedtesporters. Los van de vraag of dat in sommige takken van sport niet al op grote schaal gebeurt onder het huidige dopingregime, werpt ook hier zich weer de vraag op: waarom de beperking tot een verbod op dopinggebruik? Waarom dan niet ook roken en alcoholgebruik verbieden?
Criminalisering
Het gezondheidsargument is bovendien ook om te draaien. Het huidige beleid bevordert de gezondheid namelijk ook niet echt. Het kan nu bijvoorbeeld gebeuren dat dokters bij de behandeling van zieke renners af moeten zien van de meeste effectieve medicijnen omdat deze op de dopinglijst staan. De waas van geheimzinnigheid die rond doping hangt en de criminalisering ervan, leidt bovendien tot levensgevaarlijke experimenten, die wellicht te voorkomen zijn met goede voorlichting en deskundig advies. Daarnaast heeft de nu al 30 jaar durende heksenjacht op doping getuige de zich aaneenrijgende serie van dopingschandalen weinig tot niets opgeleverd.
Het gebruik van middelen die op de verboden lijst staan, is ook allerminst per definitie schadelijk. Gebruik van bepaalde middelen kan de gezondheidsrisico's die de bovenmenselijk zware en zeer ongezonde inspanningen die door topsporters geleverd worden (zoals bijvoorbeeld het rijden van de Tour de France) zelfs aanzienlijk verminderen.
De twee belangrijkste argumenten die gebruikt worden ter legitimering van het verbod op doping zijn rationeel bekeken dus uiterst wankel. Waarom is het verbod er dan toch? Dat heeft alles te maken met de rol die sport in de huidige maatschappij speelt en de enorme commerciële belangen die ermee gemoeid zijn. Door de sponsors, de van sponsors afhankelijke grote sportorganisaties zoals het IOC en de FIFA, en de media wordt ons een ideaalbeeld van zuivere en eerlijke sport voorgeschoteld, waarbij topsporters een welhaast goddelijke verering ten deel valt.
Wondermiddel
Sport is na het wegvallen van de ideologische en religieuze zekerheden voor velen uitgegroeid tot het nieuwe wondermiddel dat de maatschappij bijeenhoudt. Zie de Oranje-gekte bij het voetbal en de stortvloed aan sportinformatie in de media. Daarnaast wordt sport door overheden gezien als middel tot het oplossen van allerlei maatschappelijke problemen; van de integratie van sociaal zwakkeren tot het stimuleren van de volksgezondheid. Sport is een hype geworden en de topsporter een rolmodel. En rolmodellen gebruiken geen doping.
Daarnaast is presteren en winnen op bijna alle maatschappelijke gebieden tot absolute norm is verheven. Dat, gevoegd bij de waanzinnige geldbedragen die tegenwoordig in de sportwereld rondgaan en de steeds hogere eisen die door media, publiek en sponsors aan topsporters worden gesteld, leidt onherroepelijk tot een verdere verwetenschappelijking van de sport, waarvan dopinggebruik slechts een onderdeel is. Dát is het werkelijke probleem; de dopingdiscussie versluiert een veel fundamenteler discussie.
Sport (en vooral topsport) is gewoon te belangrijk geworden, er gaat te veel geld in om, de commerciële belangen zijn te groot. En daar zijn we met zijn allen verantwoordelijk voor. Steeds geavanceerder dopinggebruik is net als de ontwikkelingen op het gebied van materiaal en trainingsmethoden inherent aan een wereld waarin het 'altius, citius, fortius' de norm is en mensen heel veel geld over hebben voor sport. De meest logische volgende stap is genetische manipulatie en of doping nu verboden blijft of vrijgegeven wordt, zal daar weinig invloed op uitoefenen.
Er is een tijd geweest dat zelfs trainen voor een sportwedstrijd ter discussie stond. En de discussie over de professionalisering van de sport (tot in de jaren tachtig mochten alleen amateurs meedoen aan de Olympische Spelen) ligt nog vers in het geheugen. Over een aantal jaren zal doping ook niet meer ter discussie staan en is topsport puur amusement geworden. Of we blij moeten zijn met al deze ontwikkelingen is weer een heel andere vraag. Maar het gaat niet aan om ons heiliger voor te doen dan we zijn, zoals nu in de discussie over dopinggebruik maar al te vaak het geval is.

Job van Schaik

NASCHRIFT
Denk nu niet: 'O, die vriendin van hem slikt dus ook'. Want de hierboven genoemde rationele overwegingen leiden er voor mij allerminst automatisch toe om te zeggen: Slik er maar lekker op los, allemaal. Het artikel is slechts een kader waarbinnen de discussie volgens mij op een meer zinvolle manier gevoerd kan worden. Ik heb de oplossingen ook niet voorhanden.

09 mei 2010

Een Twingo in het water

Het begon met een foto van een Renault Twingo die als een Jezus-auto op het water stond. Raar, dacht je. En: wat een mooi beeld, zo'n zeeblauwe auto in/op een meertje tussen de bomen. Een korte zoektocht op internet leidde naar de website van het kunstenaarsduo Peter Veen en Saskia Boelsums uit Nieuw-Schoonebeek. Daar stond dat de Twingo onderdeel was van de installatie Lekker thuis die deel uitmaakte van het kunstproject Out of Space in natuurgebied Rottige Meente, in Nijetrijne.
Maar, zo waarschuwden Veen en Boelsums in hun begeleidende tekstje, ga vooral niet kijken naar ons kunstwerk: 'Blijf lekker thuis, maak het gezellig. Leer desnoods je buren kennen.' Want omdat we al overal met die ellendige auto's naartoe gaan, wordt het steeds drukker in Nederland, zelfs in natuurgebieden, waarschuwden ze. En daar hadden ze een punt. Maar ja, de buren kenden we al. Dan maar met de trein naar Wolvega, racefiets mee en door de wind naar Nijetrijne ploegen. Het eerste dat opviel, was de enorme drukte op de N351, in het verder lege Friese land. En dat op een frisse, bewolkte zondagmiddag.
Ook de parkeerplaats van Staatsbosbeheer bij Rottige Meente stond vol met auto's. Daar zat je dan op je fiets, met je goede bedoelingen. Vanaf de weg zag je de Twingo alleen in de verte, dus ploeterde je door de modder op je wielrenschoentjes naar de auto op het water. Daar stond-ie dan. Een van de velgen was al een paar centimeter onder het wateroppervlak verdwenen. Zou dat niet gaan roesten? "Kijk, de auto van Jezus", riep een mevrouw die langsliep. Toch maar even bellen met Peter Veen.
Nee, aan Jezus hadden ze niet gedacht. "Bedenk oplossingen voor de toenemende druk op de openbare ruimte", vertelde de kunstenaar. Dat was de opdracht die de organisatie van de kunstroute de deelnemers had mee gegeven. Ontregelen wilden ze met hun beeld. "We kunnen wel blijven zeuren over files, maar als we overal met de auto naartoe blijven gaan wordt het probleem nooit opgelost", vond hij. Daarom had hij zijn auto voor een half jaar op het meertje bij Nijentrijne geparkeerd en dwaalde hij daarna langs het riviertje de Linde lopend terug naar huis.
"Wonderlijk, de andere rol die je als wandelaar hebt, in zo'n landschap", constateerde hij. "Je bent heel zichtbaar en kwetsbaar." De tocht terug legde hij vast op film. En ja, ze hebben nóg een auto. "In Nieuw-Schoonebeek kun je niet zonder", vertelde hij. Jammer, maar je begreep het wel. En je ploegde terug naar de N351, stapte op de racefiets en ging langs drukke wegen ook terug naar huis. Met in je hoofd de tekst, die op het informatiebord bij de Twingo stond: 'Wat zou het een ruimte geven als we allemaal lekker thuis zouden blijven'.

(Deze post staat vandaag als reportage in 'Dagblad van het Noorden'. Op de terugweg naar Zwolle verliet ik gelukkig al snel de drukke N351 voor de prachtige dijkweg naar Ossenzijl, waarna het erg smalle en zeer bruggige fietspad tussen Ossenzijl en Kalenberg volgde en andere verlaten wegen door de Weerribben. Pas in Blokzijl werd het weer druk.)

05 mei 2010

Het land van de landskampioen

Zo ziet het er dus uit, Twente, het land van de landskampioen. Een gele zee van paardenbloemen (de pinksterbloemen zijn alweer uitgebloeid), ruimte en wolken. Gemeente Twenterand, vlakbij Den Ham. Bevrijd van de Randstad, ook op 5 mei. Aangename streek.

01 mei 2010

Wolkenverzamelaar

Sinds een jaar ben ik een wolkenverzamelaar. Toen kocht ik namelijk het prachtboek The Cloud Collector's Handbook van Gavin Pretor-Pinney. Daarin staat hoe je een wolkenverzameling kunt aanleggen. Hoe bijzonderder de wolk, hoe meer punten je ervoor krijgt. Ik moet me nog inschrijven bij de Cloud Appreciation Society maar dat gaat binnenkort gebeuren. Eerst nog even de verzameling uitbreiden. Op bijgaande foto - gistermiddag genomen vanaf de dijk bij Hattem - ziet u een fraaie combinatie van cirrus fibratus-wolken(goed voor 15 punten), met wat gewone stratocumulusjes (slechts 10 punten). Niks bijzonders, zal de ervaren wolkenverzamelaar meteen opmerken, maar door het halo-effect van de zon ken ik mijzelve een bonus van 25 punten toe. Dat zal Cloud Appreciation Society wellicht niet goedkeuren, maar dat is dan even niet anders.

27 april 2010

Dit blog is (tijdelijk) verplaatst

Mopperlog is (tijdelijk) verhuisd naar http://blog.mopperlog.com/. U wordt binnen 30 seconden automatisch omgeleid, maar kunt ook hier klikken of op titel van dit postje. Een en ander heeft te maken met een nieuwe manier van uploaden van blogger (en als u dat niet begrijpt is dat helemaal niet erg want ik snap er ook geen jota van, maar 't is nu eenmaal niet anders). Binnenkort werkt mopperlog.com gewoon weer, al heb ik geen flauw idee wanneer. Als u een abonnement op een feed hebt, kunt u dit bijwerken op http://blog.mopperlog.com/feeds/posts/default.

25 april 2010

De eerste zwaluwen

Zondagmorgen 10.14 uur. Rust en stilte als je door Zwolle fietst. De wereld is een aangename plek als je oren nog half dicht zitten door een verkoudheid. De wind wappert het geluid naar binnen. Vlak voor Laag Zuthem verkievieten twee kievieten de stilte. De arme sukkels hebben hun nest vlak naast de weg gebouwd en zullen zich de komende weken schor moeten kievieten om indringers weg te houden. Paardenbloemen en lilapaarse bloemetjes langs de weg (welk merk is dat? je ziet ze overal; 't is niks dan geel en lila in de weiden tegenwoordig; het zal wel grondarmoede zijn maar mooi is het). Blauwe lucht, de blik op niets - dat is geluk. Maar als je het bos bij Den Alerdinck binnenrijdt, keert de blik vanzelf naar binnen en vullen muizenissen je hoofd.
Je fietst weer de ruimte in. Loeiende koeien luieren bij Liederholthuis. Een spreeuw pikt een paard in zijn kont. En kijk daar, bij Boerhaar, de eerste zwaluw! Het is nog geen zomer, maar even later wel als ze opeens overal opduiken. Logisch, want het regent kevers, vliegen en ander geleedpotig gefladderte. Eikelhof. Diepenveen. 12.45 uur is het nu. Frieswijk. Overal barse, vers opengewerkte kleigrond en stuivend zand. In de verte de eerste bloeiende koolzaadvelden. Averlo, Wesepe. Hier kom je merkwaardig genoeg geen andere fietsers tegen. Even voor je door Middel fietst, rennen drie hazen door een veldje kweekbomen. Broekland. 13.50 uur. Terwijl je appeltaart eet tegenover de Grote Kruiskerk, geselt de kerkklok de mensen naar binnen. Elshof, waar een gat in de hemel zit, maar nu van de andere kant. De boerderij met de sanseveria's voor de ramen. En steeds meer bejaarden. Een boer aan de andere kant van de Wetering heeft zoveel verschillende soorten bomen rond zijn boerderij geplant dat rechts van je alle kleuren jong groen langskomen. Op het dijkje na Laag Zuthem zet je nog een keer aan: 53,3. Fijne fiets die Beone. 14.35 uur. Na 90 kilometer door Salland is het nog 90 kilometer tot de finish in Luik. Uren lang kruipen er beestjes uit je haar, je shirt en je broek. Een explosie van leven.

24 april 2010

Brommers alleen op recept

Vroeger, toen ik nog columnist was bij de krant, mopperde ik regelmatig over brommers, scooters en andere gemotoriseerde ellende. Ik vond en vind namelijk dat alle motorisch aangedreven tweewielers verboden moeten worden voor normale mensen. Alleen voor wie zich om medische redenen niet op eigen kracht kan voortbewegen, mag een uitzondering gemaakt worden. Net zoals je een wapenvergunning nodig hebt voor een wapen, zou je een brommervergunning nodig moeten hebben voor een brommer.
Nadelen zijn er niet: brommer-, scooter- of motorrijden is immers niks anders dan ofwel luiheid ofwel een verwrongen, quasi-romantisch verlangen naar avontuur en kojbojtje spelen. In het premotorische tijdperk (wat een paradijslijke tijd moet dat geweest zijn) bevredigde men die verlangens op een paard en dat kan tegenwoordig ook nog prima. En anders zijn de racefiets, mountainbike of van die fijne nordic-walkingwandelstokken goede alternatieven. De voordelen zijn duidelijk: die luie, dichtgroeiende tieners krijgen weer eens wat lichaamsbeweging, geen rustverstoring meer door zondagse motorrijders die je lentegevoel naar de ratsmodee helpen, fietsers krijgen minder fijnstof, stank en herrie te verduren, het bespaart een boel fossiele brandstof en het voorkomt ongelukken.
Vanmiddag was het weer bijna zover. Een roedel dertigers van de vrouwelijke kunne op solexen (ja helaas, die heb je veel in het Vechtdal; er zit hier kennelijk ergens een verhuurbedrijf voor die krengen) versperde bij Emmen het fietspad. Het waren er een stuk of vijftien. Geen alfavrouwtje te bekennen, niemand een helm op het hoofd, luid kakelend in alle richtingen, een wolk van uitlaatgas die steeds blauwer werd, maar een beetje opletten op ander verkeer ho maar. Nadat ik 23 keer gebeld had, week de roedel licht uiteen en kon ik stapvoets passeren.
Maar een van de solexsters lette natuurlijk niet op dus die draaide vrolijk doorkleppend en hinnekend een half rondje toen ik langs kroop en boorde zich bijna zijlings in mijn fraaie nieuwe racefiets. Gelukkig ging het net goed, maar die lelijke huppelkut meende ook nog in een hysterisch gelach te moeten uitbarsten om haar mislukte flankaanval, in plaats van met tranen van spijt en berouw in haar ogen excuses aan te bieden. Tuig is het.

18 april 2010

De Doodeman in de benen

Vleeshouwerij Den Alensloot, Steun de Nierstichting, Vacansoleil, De Veluwerijders, een groepje Kelme-renners, Manhattan's Wellness & Healthclub, Toerclub Swolland, een volgwagen van AG2R, een blonde paardenstaart in een roze pakje, Bakkerij 't Belegde Broodje, daar zijn de Veluwerijders weer, twee zwarte Campagnolo's met behaarde benen, Simpelveld Verzekeringen, Bikeshop Stappenbelt, Aluminium Kozijnen van Stevenijnen scheelt u enkele Dozijnen, Hanzerenners Zwolle, Slagerij Dunning, en nog veel meer. De Amstel Gold Race dus. De teksten op de tricots vertellen het halve verhaal.
"Denk eraan: rode fietskleren altijd wassen met Robijn Fleur & Fijn", roept een vrouw bovenop de Keutenberg. Dat is voor mij bedoeld, een tekstloze renner met rode sokken, nog rodere beenstukken en een rood jasje. Ik kan er na 150 kilometer nog om lachen, want ik ga nog steeds als een speer. 'Links, links', roep ik naar die trage padden op de helling, maar het helpt niet. Ik moet grasmaaien en rij bijna een oudere mevrouw van de sokken. 'Opzouten', denk ik. Ze duikt vlak voor me letterlijk de berm in. Moet je ook maar niet op de weg gaan lopen tijdens de Amstel Gold.
Ook op de slotklim naar Cauberg is het dringen, schelden en uitwijken voor omvallende renners. Geen waardig slot van een mooie dag. Dan nog maar even alleen door naar de Doodeman, de klim der Limburgse klimmen. Vlakbij de Keutenberg, maar dan erger (800 meter tegen 9,6 % gemiddeld). Om duistere redenen wordt de Doodeman (waar ooit slaven stierven, die op weg waren naar Mosa Trajectum) zelden opgenomen in tochten en wedstrijden.

De weg schiet recht omhoog
verlaten
zonder mededogen

De benen lopen smerig vol
op een zwarte muur
zonder stenen

Vijftien procent
kramp in de kuiten

Achttien procent
brand in de bovenbenen

Twaalf procent
tien
acht
bevrijding

En dan die laatste, dodelijke tien

Er bloeien paardenbloemen
op de Doodeman.

08 april 2010

In het bos

Waarom is fietsen op een aangelegd mountainbikeparkoers niet leuk? En waarom is mountainbiken over eeuwenoude land- en boswegen bijna nog leuker dan wielrennen? De antwoorden liggen, zoals zo vaak, in de vragen besloten: het komt door dat 'aangelegde' en dat 'eeuwenoude'.
Het parkoers dat ik gisteren befietste op de Lemelerberg bevat nep-heuveltjes en rare paadjes die, om het fietsen te bemoeilijken, tussen de boomwortels door waren gelegd. Het deed denken aan motorcross en ik kwam ook veel te veel mede-mountainbikers tegen. Nee, dan die overgroeide paden in het Rechterense en Vilstersche veld. Moederziel alleen was ik daar (dat kwam ook omdat ik bij het uitrijden van menige bosweg een fietsverbodbordje zag dat er bij het inrijden echt niet stond). De zon scheen door bomen en het licht- en schaduwspel gaf het bos een feeërieke sfeer.
Twee keer rende er opeens een ree voor me uit, vanaf drie meter afstand zag ik een enorme roofvogel op de vlucht slaan (een buizerd, geloof ik) en vele sappige houtduiven klapwiekten in het rond, hevig verlangend naar zachte garing in een koekenpan. Toen ik even op een boomstam ging zitten om een banaan te eten daalde er stilte en rust op me neer. Voor zulke momenten ben ik dus minder gaan werken.
Alleen, zo bedacht ik me, wat nu als ik lek rijd? Als je met de mountainbike gaat fietsen neem je geen reservebanden mee, had mijn lieve M. me verteld. (Het mountainbikeritje van gisteren was mijn eerste in Nederland, als u dat nog niet begrepen had.) En een pompje had ik ook niet bij me. Mijn mobiele telefoon had geen ontvangst en waar ik nu precies zat in dat bos was me ook niet altijd duidelijk. Nou ja, dan had ik dus moeten lopen.

06 april 2010

Afscheid

Morgen lever ik mijn Ridley Triton C in bij de fietsenmaker. Gisteren fietste ik er mijn laatste ritje op. Dat ging voor geen meter en daarom bij wijze van afscheid het eerste stukje dat ik ooit over deze racefiets schreef, in 2006, de column 'Schone wielrenners', die op 1 augustus van dat jaar in Dagblad van het Noorden stond:

"Terwijl Floyd Landis op magistrale wijze de Tour de France aan het winnen was, beklom ik samen met mijn vriendin M. in Italië de Passo Cento Croci. Het was mijn definitieve demasqué als klimmer. Terwijl M. fluitend de pedalen rond trapte, stierf ik duizend doden op de niet eens extreem zware berg (13 kilometer tegen 6 procent gemiddeld). Ongeveer tien minuten was mijn achterstand toen ik, half kotsend en doorweekt van het zweet, de top bereikte. Nog nooit ben ik na een sportieve inspanning zo kapot geweest.
M. en ik houden erg van fietsen. Na de Passo Cento Croci hebben we tijdens onze vakantie in Italië nog veel meer beklimmingen gedaan. Ik was zo verstandig om mijn verlies bij voorbaat te nemen en rustig in mijn eigen tempo omhoog te gaan. Daarbij ben ik tot de ontdekking gekomen dat een mens verrassend langzaam kan fietsen. Bij het slotklimmetje naar ons onderkomen in Tavarone (2 kilometer tegen ruim 10 procent gemiddeld) heb ik zelfs een gedenkwaardig dieptepunt van 5,7 km per uur weten te bereiken zonder van mijn fiets te vallen. M. reed ook daar rustig met 15 km per uur omhoog.
Later, toen we in Toscane in de schitterende Monti del Chianti aan het fietsen waren, begon me wat op te vallen: M. moest wel heel erg vaak niezen. Toen was alles plots duidelijk: doping. M. weigerde vervolgens ook haar plas in te leveren en ontkent nog altijd in alle toonaarden. Nou, dan weet je het wel. Bovendien weet M. ook dat je in de hedendaagse wielrennerij al schuldig bent zo gauw een gerucht de wereld in is geslingerd. Vraag maar aan Ullrich, Basso en Landis. Ik troost me ondertussen met de gedachte dat ik de laatste schone wielrenner op aarde ben."

(Even voor de duidelijkheid: een week voor deze vakantie in de zomer van 2006 kregen we onze Ridleys. Daarvoor fietste Marijn op mijn mountainbike. En met de kennis van nu valt het met dat demasqué dus wel mee. Zie deze post van vorig jaar mei. Of deze, van augustus. En, om misverstanden te voorkomen: dat van die doping is dus een grapje, he. We weten immers allemaal dat Landis brandschoon was.)

03 april 2010

Op het podium

Vreugde. Juichkreten. Ontroering. Erdinger. Tranen. Ik stond op het podium. Voor het eerst in mijn lange, lange leven. Derde in Groningen-Bakkeveen-Groningen. Bij de veteranen (dat wel). Kussen van de rondemiss. Op de foto met winnaar John (de nummer twee was al weg, dat heb je met veteranen). Toegezongen door Willy! Nog maar een Erdinger om het te vieren. En nog eentje om de ontroering weg te slikken. Op de foto met de fans. Kom maar door met die Erdinger! Elleboog gekneusd op weg naar de trein. Wat maakt het uit. Derde. Tranen. En nog een keer onderuit op die ellendige gele steentjes. Schemering. Dromen. Roze zon bij Assen. Hoezo, drie veteranen? Podiumplek!

31 maart 2010

Duurtraining in de storm

Wat te doen als er op je fietsdag een rustige duurtraining gepland staat (zoals op alle fietsdagen trouwens) en de wind waait en alles vermoeiend is? Die hartslag gaat bij tegenstorm natuurlijk meteen in het rood en dat mag dus niet bij een duurtraining. Ik besloot om voor de wind omhoog te rijden, Friesland in, en de trein terug naar Zwolle te nemen. Want ik was moe. Twee avonden achtereen de Matthaus Passion bijwonen is een feest voor oor en geest. Maar als je daarna ook nog stukjes over Bach moet schrijven en tot diep in de nacht achter de computer zit, dan stroomt er lood door de aderen.
Vandaar dat beschamende gemiddelde van 30,8 per uur op mijn tellertje, toen ik in Heerenveen op de trein stapte. Weliswaar een bijna-record voor mij, maar na 65 kilometer lang storm in de rug had dat toch minstens 34 moeten zijn. Het landschap tussen Steenwijk en Heerenveen nodigde ook niet uit tot langzamer fietsen, want zo lelijk als daar is het bijna nergens (wel leuk dat er een dorp is dat Witte Paarden heet, vlak onder Wolvega, natuurlijk). Geen excuses dus.
De energie kwam pas weer terug toen ik bij thuiskomst ontdekte dat mijn boek Hardloper Huizenga genomineerd is voor de juryprijs van de Nico Scheepmaker Beker. Ik feliciteer mijzelve van harte! O ja, er is ook een publieksprijs en daarvoor kunt u stemmen.

(Bijgaande foto van een boom in knop (ja, ze zijn er eindelijk) maakte ik even voorbij Giethoorn.)

30 maart 2010

Johnny Cash

'Don't look so sad, I know it's over', zingt Johnny Cash, en weer zie je de wereld door een waas van traanvocht. Je hebt het liedje nu al minstens honderd keer gehoord, maar het is zo verschrikkelijk mooi. Dat eenvoudige, metalige getokkel op die akoestische gitaar, als echo van die simpele, maar zo onzegbaar prachtige melodie. Die doorleefde, half gebroken stem van de oude Cash. Dat orgeltje. Die tekst over afscheid nemen. En je wrijft nog maar eens in je ogen.
'But life goes on, and this old world, will keep on turning', zingt Johnny, en je weet dat hij gelijk heeft. Het liedje heet For the good times, Kris Kristofferson schreef het lang geleden; maar zo mooi als Johnny heeft Kris het nooit gezongen. Johnny is al ruim zes jaar dood, zeggen ze. ‘Johnny's Final Studio Album' staat op de hoes van zijn nieuwe cd, maar je weet dat het niet waar is. Johnny heeft geen graf, hij zingt het zelf, en je denkt: zijn producer heeft een lijntje met gene zijde.
'I'll get along, you'll find another', zingt Johnny, en je bedenkt dat Johnny zelf God vond. Aangetast door het leven, richtte hij de blik omhoog en mensen die God vinden, maken nu eenmaal de mooiste muziek. En je denkt aan Bach, je andere held in deze dagen, en zijn muziek over Jezus, de held der helden. 'And I'll be here, if you should find, you ever need me', zingt Johnny. Weer dat metalige getokkel, weer die fragiele, oude stem, weer dat orgeltje. En weer die tekst, weer die ontroering.
'Don't look so sad, I know it's over', zingt Johnny nog een keer, en je denkt: ja, het is voorbij. For the good times.

(Deze post staat vandaag als column in Dagblad van het Noorden. Het is mijn laatste. De lezers van dit blog herkennen wellicht wat dingen uit een eerder postje over Cash, maar je kunt beter jatten van jezelf dan van een ander, vind ik. DvhN verschijnt vanaf donderdag op tabloid en daarin is geen plek meer voor mijn column. Ik zal hier op dit blog af en toe een oude column posten (zolang de voorraad strekt), te beginnen bij die in de je-vorm. Dat is een vorm die ik tijdens mijn columns voor het Dagblad heb ontwikkeld voor mijn meer persoonlijke stukjes. Ik vind het zelf een mooie, subtiele abstractie van het strikt particuliere van de ik-vorm. Het geeft de tekst bovendien een wat gedragen, poëtisch karakter, al is het gevaar groot dat het verwordt tot platte pathetiek. Soms lukt het, soms niet; nou ja, ik doe ook maar mijn best.)

25 maart 2010

De dood op de weg

In onze binnentuin zijn de eerste knoppen verschenen in de hortensia, maar in de buitenwereld houdt het nieuwe leven zich angstvallig schuil. Ondanks de lentewarmte heb ik nog geen vers groen gezien tijdens mijn fietstochtjes. Het wintergroen van de dennen wordt wat lichter van kleur, het gras lijkt net als mijn gezicht ook over pigment te beschikken, en het mos kleurt wat donkerder. Maar waar blijven de knoppen? Waar is het frisse lentegroen?
Dinsdag was ik op de Veluwe. Gisteren fietste ik op de Posbank en langs de IJssel terug naar huis. Ik zag ganzen op zoek naar voedsel (die zijn dus nog niet weg, zoals ik eerder dacht), ik zag ooievaars op hun nest zitten, ik zag een zilverreiger opvliegen, ik zag lammetjes, veulens en paardjes (heel veel van die lelijke, langharige mormels; het lijkt wel alsof er een paardenplaag heerst in het Nederlandse weideland), Maar van het lentegroen geen spoor. Ja, krokussen en aanverwant spul, dat wat mij betreft meer bij de winter hoort dan bij de lente.
Ik zag ook een platgereden merel, bij Mulligen. Een jonge vader zo te zien, al hoop ik dat hij nog niet aan het nestelen was geslagen. Anders vliegt er langs de Veluwerand nu misschien wel een zwangere merelvrouw rond, met ongeboren merelweesjes in haar buik. Maar hij was wel mooi platgereden, de merelman. Een heuse aanwinst voor mijn serie 'dood op de weg' (en op het ijs). Het was net een schilderij in een lijst van asfalt, die oplichtte in de lentezon. Rare lente is dat, als de dood het wint van het leven.

19 maart 2010

Het is lente

Het is lente. Vijftien graden, weinig wind, soms zon, af en toe motregen. 't Was bijna benauwd. Blote benen, schaapjes in de wei, omgeploegde akkers. Het leven kan weer ontbotten.


17 maart 2010

Zwanen

Eén zwaan maakt nog geen lente, maar een stuk of honderd wel. Daar leek het vandaag tenminste op. De ganzen zijn gevlogen, maar de zwanen niet. Ik zag zwanen bij Hattem, zwanen bij Nunspeet, zwanen bij Elburg, zwanen bij Wezep. Overal waar ik weilanden zag, zag ik zwanen grazen. Grazen ja, dat doen zwanen in de lente. Het was me nog nooit eerder opgevallen. Alleen waar de schapen al in de wei stonden (ik zag ook al aardig wat sappige lammetjes dartelen; dartel voort want daar wordt jullie vlees lekker soepel van, lieve lammetjes), zag ik geen zwanen.

16 maart 2010

Collectieve gekte

Soms heb ik het idee dat we collectief gek zijn geworden. Voorbeeld: ik hoorde laatst een topman van Unilever in het Journaal serieus beweren dat we Chinezen ijsjes moeten leren eten. En om de afzetmarkt van onze producten verder te vergroten moeten we ze ook aanleren om gel in hun haar te smeren. De verslaggever van het Journaal vond het een goed verhaal, want hij vroeg niet wat de Chinezen nu eigenlijk opschieten met die ijsjes en die haargel. Er kon geld mee verdiend worden en dat was blijkbaar zaligmakend. Nu die Chinezen nog even leren dat ze hun neusgaten en oren moeten volstoppen met Becel-margarine en Unilever is er weer helemaal bovenop.
We zijn er zelf ook ingetuind. Vorige week vond ik op één dag drie tijdschriften in plastic verpakking in de brievenbus. Eentje was van composteerbaar plastic gemaakt. Driewerf hoera voor de milieubewuste en duurzame bank waarvan dat blad afkomstig was. Zelfs daar zijn ze dus vergeten dat je zo’n blaadje ook zonder plastic omhulsel kunt versturen. Zo lang geleden is het toch niet dat tijdschriften nog ongeplastificeerd door de brievenbus gleden? En ze gleden prima hoor, vroeger, zonder dat plastic. Maar tegenwoordig moet alles in een hoesje.
Ik weet niet wie een jaar of tien geleden op het idee is gekomen van die plastic omslagen. En hoe het gelukt is om ons collectief aan die onzin te helpen, weet ik ook niet. De topman van Unilever zal wel jaloers zijn. En wij ondertussen maar plastic inzamelen, in speciaal daarvoor aangeschafte plastic verzamelzakken, idioten die we zijn.

(Deze post staat vandaag als column (nog een te gaan) in 'Dagblad van het Noorden'.)

14 maart 2010

Geen echte wielrenner

Ik ben geen echte wielrenner. Daar kwam ik gisteren weer eens achter tijdens een rondje Kampen. Eigenlijk zegt dat alles al: 'een rondje Kampen'. Een echte wielrenner rijdt ook op een winddag als gisteren 150 kilometer. Zoals de zes mannen bij wie ik aanpikte op de dijk tussen Zalk en Kampen. Die doen niet aan miezerige ritjes van amper 40 kilometer, zoals ik.
Ik was het zestal even daarvoor gepasseerd toen ze stonden te pissen. Ik reed 35 km per uur in het zog van een trekker met hooibalen. Ik voelde me even een echte wielrenner, terwijl ik vlak daarvoor - toen de trekker me nog niet gepasseerd was - nog amper 20 reed, tegen de storm in. De trekker sloeg bij Zalk linksaf en mijn tempo zakte weer naar 22 km per uur. Maar vlak daarna werd ik ingehaald door de zes, die met 30 km per uur tegen de wind in stoempten. Ik pikte aan en weer voelde ik me een kilometer of tien een echte wielrenner.
Ik raakte aan de praat met een van de zes, een mede-echte-wielrenner. 'Rondje van 150 km vandaag', zei hij. 'Vorige week ook rondje van 150 kilometer', 'woensdag nog op de baan in Kampen gereden', 'word je sterk van, zo hard tegen de wind in' en toen zat ik plotseling met mijn kop in de wind. Ik moest meewerken en reed dus ook 30 km per uur, tegen de storm in. 'Ik ga ook de 150 km doen tijdens de Amstel Gold', vertelde ik mijn fietsmaat. 'Voorbereiding voor de Alpen in mei'. En ik deed net alsof het me helemaal geen kracht kostte.
Na anderhalve kilometer haakte ik, bijna kotsend, af. Terug via Wilsum, aan de andere kant van de IJssel, voor de wind uit, ging het makkelijk, maar niet zo hard als ik gehoopt had. Pas vlak voor Zwolle was ik een beetje hersteld en kon ik nog een paar kilometer 47 per uur rijden met storm in de rug. Ik ben geen echte wielrenner.
Van de winter, toen ik op zaterdagen vaak de enige fietser was, was ik gaan denken van wel. Echte wielrenners fietsen altijd, dacht ik. Mietjes, die mountainbikers en thuisblijvers, dacht ik. Echte wielrenners doen gewoon een extra truitje aan, dacht ik. Maar wat dat winterse fietsen ook van me maakt - een kouliefhebber, een wintersporter, een dwaler, een toerfietser, een vriend-van-de-verlaten-wegen- of een volslagen idioot - met echte wielrenners heeft het niets van doen.

10 maart 2010

Afgestraft

De toekomst laat zich niet voorspellen of naar de hand zetten. En zeker niet door zulke nietige wezentjes als wij. Al onze plannenmakerij, of het nu het stimuleren van de economische ontwikkeling betreft of het tegengaan van de opwarming van de aarde, is niks anders dan een goedbedoeld (althans, daar gaan we maar even van uit) pogen dat hopelijk tot het gewenste resultaat leidt. We geven het de schijn van wetenschap door onderzoek te doen en er allerlei fraaie theorieen bij te ontwikkelen, maar uitendelijk komt het allemaal neer op 'God zegene de greep'.
Dat is een lange en wellicht wat merkwaardige inleiding op mijn fietstochtje van vanmiddag. Volgens de voorspellingen zou het vandaag heerlijk lenteachtig weer worden. Zon, een beetje wind uit de richting oost/noordoost en een graad of 7. Vertrouwend op het weerbericht was ik van plan daar eens even optimaal gebruik van te maken door om half twee op de trein te stappen naar Hardenberg (oost/noordoost) om vanaf daar lekker voor de wind uit, vrolijk fluitend en zingend, met de handjes losjes op het stuur, naar Zwolle terug te fietsen. Onderweg even de Lemelerberg meepikken, de vogels groetend (die weer steeds luidruchtiger worden), en af en toe even uitrusten van het nietsdoen op een bankje in de lentezon.
Maar de wind waaide dus niet uit oost/noordoost maar uit het noordwesten. En hij waaide niet een beetje maar een boel, dus van het fijne freewheelen kwam niks terecht. En die zon die scheen dus ook al nauwelijks. En het was geen 7 graden maar 3,5. En op het bankje was het stervenskoud. En die vogels hoorde je niet door de steeds harder wordende, gierende kutwind.
Conclusies: 1. mijn luiheid afgestraft en 2. wij armzalige idioten kunnen niet eens een halve dag vooruit goed voorspellen.

07 maart 2010

Verdronken land (2)

Eigenlijk was het dit weekeinde geen weer voor fietsen maar voor foto's maken. Vooral gisteren. Door de storm reed ik tussen Kampen en Zwolle ternauwernood boven de 20, terwijl de watervloed in de IJssel schitterende plaatjes opleverde zoals rechtsboven (die kerktoren in de verte is Zalk). Vandaag stond er minder wind, maar was het nog steeds steenkoud, behalve als je een windstil plekje vond in de zon. En ook sluierbewolking levert mooie vergezichten.

03 maart 2010

Verdronken land

Daar sta je dan als tractor. De vorst is uit de grond en dan wil je natuurlijk het land op. Lekker gier spuiten over het bouwland van de baas. Maar niks daarvan dus. De Marler waarden, aan de IJssel bij Wijhe, staan onder water. Brasems en voorntjes knabbelen aan de geknakte, bruine maisresten van vorig jaar. En ganzen, niet te vergeten. Duizenden, tienduizenden kolganzen. Op de paar stroken die niet zijn ondergelopen staan er nog veel meer dan op het verdronken land. Ze maken lawaai, vliegen af en toe op en zonder een V-formatie te vinden landen ze weer. En maken ze lawaai. Raar volk, kolganzen.

02 maart 2010

Moord in vogelland

Dan sta je daar met je fiets te wachten tot het stoplicht op groen springt als er opeens een luid gekrijs losbarst in de grijze lucht boven je. Je kijkt omhoog en ziet een zwarte vlek, een meter of twintig voor je, recht boven het fietspad waarover je straks je weg vervolgt. Een luchtgevecht in vogelland. De invallende schemering legt een grauwsluier over je waarneming, maar je ziet meteen dat dit geen onschuldige achtervolging is. Hier wordt strijd geleverd op leven en dood. Kauwtjes, constateer je, als je je blik focust; een stuk of vier. De intense vogelkreten doen bijna menselijk aan en snijden door je trommelvliezen. Onwillekeurig huiver je.
Dan dwarrelt er opeens een zwart pakketje loodrecht naar beneden. Het komt terecht op het fietspad voor je. Niet hard genoeg om dood te vallen, maar te hard om meteen weer op te vliegen. De aanvallers storten zich op het slachtoffer en het luchtgevecht wordt een grondgevecht. Er wordt gepikt en gefladderd en getriptrapt en gekrijst. Wat is dit, vraag je je af. Een afrekening in de plaatselijke kauwenkolonie? Een machtsstrijd? Een groepsverkrachting van een zwakke vrouwtjeskauw? Dan springt het stoplicht op groen en fiets je voorzichtig in de richting van het strijdtoneel. En je denkt: met een ruime boog eromheen, want voor je het weet zit je middenin een vogeloorlog.
Als je het gevecht nadert, vliegen de aanvallers krijsend weg, op de vlucht voor de fietser. Even later strompelvliegt ook het slachtoffer op, rakelings langs je voorwiel. Volledig gedesoriënteerd verdwijnt het in dezelfde richting als de aanvallers. Fatale vergissing in kauwtjesland.

(Deze post staat vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden'. Het is mijn op twee na laatste voor de krant. Ook 'Dagblad' gaat over op tabloid en de algemene column op pagina 2, die ik eens in de veertien dagen mocht vullen, verdwijnt. Protestposts en -brieven s.v.p. niet aan mij richten maar aan de hoofdredactie.)

23 februari 2010

Een vlucht puttertjes

Een vlucht puttertjes, opvliegend uit een struikje even voorbij Hoonhorst. Een staartmees in het Rechterense veld, huppend van tak naar tak. Een statige grote zilverreiger aan de overkant van een zijarm van de Vecht tussen Hessum en Vilsteren. Een opstijgend squadron kolganzen bij Stuw (mijn schuld, vrees ik), tevergeefs zoekend naar een V-formatie. Even verderop grazende zwanen in de wei (de koeien staan nog op stal). Een overstekende kudde meerkoeten bij Welsum, niet naar links kijkend en ook niet naar rechts. Krassende kraaien op een vers geploegde akker even voorbij Dalfsen. Drie Vlaamse gaaien en twee houtduiven in een bosje bij Broekhuizen. Een buizerd, loerend op een paaltje in de buurt van Wythmen. En een vreemde vogel op een racefiets, doelloos dwalend over 's Heren wegen.

19 februari 2010

Johnny heeft geen graf

Hij is al ruim zes jaar dood maar heeft het eeuwige leven. Verbijsterd was ik vanmiddag, toen ik de Plato binnenwandelde (er ligt geen schaatsijs meer en voor fietsen was het geen weer) en American VI van Johnny Cash zag liggen. Dat kan toch niet? Wel dus. Een spin-off van Unearthed? Niks daarvan, tien nieuwe opnames. Ain't no grave heet deel zes van de American Recordings toepasselijk. 'Johnny's Final Studio Album' staat erop. Maar daar trappen we dus niet in. Stond bij American V niet ook al 'The Final Recordings'? Johnny gaat gewoon door daarboven en producer Rick Rubin heeft blijkbaar een lijntje met God.
De mooiste song op de cd is Cash's vertolking van For the good times van Kris Kristofferson. Een Frans Bauer-tekst op een André Hazes-melodie, maar om van te huilen zo mooi. Er staat één eigen compositie van Cash zelf op Ain't no grave: 1 Corinthians 15:55. 'Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning?', luidt die bijbeltekst. Johnny zingt trouwens: O death, where is thy sting? O grave, where is thy victory?' en in de NBV staat: 'Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?' Hel, graf of dood - wie het weet mag het zeggen. Maar de boodschap is duidelijk: over een jaar of vijf verschijnt American VII. Praise the Lord!

17 februari 2010

Job wordt oud

Opeens ging het niet meer. Ik was na het tweede rondje van de Belterwiedentocht even gaan zitten om wat te drinken toen opeens het besef doordrong dat het genoeg was geweest. Ik wilde nog twee rondjes doen om de 100 kilometer vol te maken, maar mijn rug bleef pijn doen. De laatste ronde schaatste ik bijna rechtop en dat is niet bevorderlijk voor de slag en de snelheid. Desondanks ging ik zitten met de overtuiging dat ik door zou gaan. Niet dus. Maar de beslissing om te stoppen was meer een fysieke openbaring dan een rationele beslissing. Een wonderlijke ervaring vond ik dat, maar ook begrijpelijk. Een overbelast lichaam corrigeert de geest als dat nodig is. De afgelopen acht dagen heb ik zeven dagen gesport, waarvan zes geschaatst. Met vijf officiële tochten (zie de medailleoogst op de foto) en in totaal 320 kilometer (terzijde: merkwaardig en zorgelijk dat die kilometerfixatie van het fietsen nu ook is overgeslagen naar het ijs; binnenkort meer hierover). En ik ben helaas geen 24 jaar meer. Job wordt oud en gaat nu een dutje doen op de bank.

16 februari 2010

Boerenkool

Naast het Nederlands moet ook boerenkool hoognodig in de Grondwet worden opgenomen. Boerenkool met worst wel te begrijpen. Niet de varianten met van die flauwe liflafjes of vegetarische boerenkool met kaassaus en cashewnoten. Gewoon de aloude stamppot, gemaakt met kruimige aardappelen, peper, zout, echte boter en een gesnipperd uitje. En dan geserveerd met ambachtelijk gemaakte rookworst van de groene slager. Niet die slappe fabrieksrommel van Unox of die zwaar overschatte Hema-worst die veel te veel naar Franse mosterd smaakt.
Het is de hoogste tijd om onze boerenkool met worst te vrijwaren van vreemde smetten. Want de buitenlandse invloeden bedreigen niet alleen onze taal maar ook ons eten. Ik zag laatst al een recept voor boerenkoolrisotto voorbijkomen. En pasta met boerenkool en zongedroogde tomaatjes. De Italiaanse pervertering van onze traditionele oud-Hollandse keuken is al zo ver doorgeslagen dat er godbetert zelfs boerenkoolpesto schijnt te worden gemaakt. Als boerenkool-met-worsteter waan je je tegenwoordig bijna een vreemdeling in eigen land. Nog even en we krijgen ook tajine met boerenkool of boerenkoolcouscous op ons bord. Waanzin.
Hoogste tijd dus voor een grondwettelijke verankering van ons dierbare stamppotrecept. Ik stel voor een kuiltje vette jus als toevoeging te tolereren, maar in de wettekst een voorkeur op te nemen voor Zaanse of Groningse mosterd. En een verbod op spekjes. De ranzige gewoonte om overal maar uitgebakken spekjes doorheen te jassen, is een al even grote bedreiging van de Nederlandse smaak als al die buitenlandse invloeden. Over de positie van de snert zou een aparte bepaling kunnen worden opgenomen.
Eet smakelijk.

(Deze post staat vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden'. Bijgaande foto is geen boerenkool, maar een fraaie compositie van schaats en ijs. Vandaag gemaakt op de Beulakkerwiede, alwaar ik weer een paar rondjes heb geschaatst.)

15 februari 2010

Het glijhupje

Eigenlijk is schaatsen veel mooier dan fietsen. Zeker als de omstandigheden zijn zoals vanmiddag op de Beulakkerwiede. Ik reed mijn rondjes bij de toertocht Rond de Wieden en het was vrij rustig op het ijs. Lage zon, eindeloze vergezichten, mooi ijs en daar was hij dan: het glijhupje. Eindelijk eens een ijsvloer waar je in je slag kon komen en de ruimte had om te glijden.
Ik hou van de trage, lange slag. Hoe langer hoe mooier, wat mij betreft. Links afzetten, glijden, langzaam het bovenlichaam kantelen, glijden, rechts afzetten, glijden, bovenlichaam kantelen, glijden. Zoals Piet Kleine schaatste, vroeger, met maximaal vier slagen op het rechte eind. En met het glijhupje tijdens de wisseling van de benen. Als dat hupje goed gaat, kom je in een trance en dan gaat alles vanzelf.
En dan vraag je je op een gegeven moment dus af waarom iedereen zo langzaam schaatst. Hoe kan dat? En hoe kan het nou dat die paar die sneller schaatsen sneller schaatsen? Als ik me inspan kan ik de meeste snellen wel bijhouden, maar dan ga je zweten en daar heb ik geen behoefte aan tijdens schaatsen. Ik heb al vijf dagen hetzelfde thermoshirt aan. Het ruikt nog steeds naar wasmiddel.
Eindeloos glijden is het geheim en het glijhupje is het tovermiddel. Dan schaats je moeiteloos 25 tot 30 km per uur. En op de fiets kost dat zweet. Daarom is schaatsen dus mooier dan fietsen.

(Inmiddels heb ik dit jaar meer schaatskilometers gemaakt dan fietskilometers: 280 om 250. Nog twee dagen om de buffer te vergroten, dan moet ik weer aan het werk).

13 februari 2010

Kadoelen (bij Barsbeek)

De Zwarte Meer Kadoelen Rondetocht dus. Raar woord, kadoelen. Ik kadoel, jij kadoelt, wij kadoelen. Maar het is dus geen werkwoord. Het is een plaatsnaam en er zijn maar liefst drie plekken in Nederland die zo heten. De naam is afgeleid van 'quaad dolen' (kwaad dolen) en duidt op 'een plek waar het moeilijk toeven is'. Wij waren vanmiddag bij de Overijsselse variant, vlakbij plaatsen met al even fraaie namen als Heetveld en Barsbeek. Ruig volk, denk je dan, maar dat viel erg mee. En het was helemaal niet moeilijk toeven in Kadoelen.
Druk was het er, dat wel. Duizenden schaatsers op een klein stukje van het Zwarte Meer, een van de randmeren. Daar was een rondje uitgezet rond het Vogeleiland. Dat was althans de bedoeling, maar blijkbaar was het ijs te slecht. Want de ronde van acht kilometer (volgens mij waren het er trouwens hooguit zes), bleef tussen wal en eiland. Het leverde fraaie, Hollandse ijstaferelen op. Hulpeloos vallende oude mannen, jankende kinderen, zwierende kerels met skibrillen (klompen langs de kant), kordaat voortprikkende tantetjes, koek en zopie en hamburgers, en gouden medailles voor iedereen. En dat allemaal op een bewolkte middag in Kadoelen.

12 februari 2010

Ganzenzonsverduistering

Opeens kwam er een enorm lawaai van rechts. Even later was de hemel donker. Duizenden gakkende kolganzen schoven tussen de zon en de aarde. Blinde paniek in de kop, leek het wel. Maar na een paar rondjes streken ze weer neer op de akker bij Blokzijl waarvan ze waren opgestegen. Loos alarm in ganzenland.
Ik en vele schaatsers met mij waren net te laat om de ganzenzonsverduistering op foto vast te leggen. Misschien was het ook onze schuld wel, dat gedoe in ganzenland. Wij reden even zinloze rondjes op het ijs. De mens en zijn aards gewemel als inspiratiebron voor andere dieren. Het moet niet gekker worden.
Voor mij was het vandaag de eerste officiële schaatstoertocht van het jaar, de Blokzijlermerentocht. Het gebruikelijke rondje van 35 kilometer was gehalveerd, maar het was prachtig. Vooral omdat de zon uitbundig scheen. Vijf rondjes was mijn doel, maar gisteren ben ik tijdens de voetbaltraining door mijn rug gegaan en na drie rondjes rechtopstaand schaatsen ging het niet meer. Het ijs werd bovendien steeds slechter. Het begrip 'uitgetrapte bocht' kreeg vooral in de buurt van Dwarsgracht een geheel nieuwe dimensie. Tijd om te stoppen dus. Geen risico's met het oog op de komende dagen.

10 februari 2010

Een maagdelijke ijspiste

Een van de mooiste ervaringen voor een skiër is een afdaling over een maagdelijke piste (voor de niet-skiërs onder u: een maagdelijke piste is een Hang, die vers besneeuwd is en waar nog niemand anders over naar beneden is gegaan). Als eerste je sporen in de sneeuw achterlaten geeft een soort oerervaring: hier wordt een nieuwe wereld ontdekt. Vanmiddag had ik bizar genoeg eenzelfde soort ervaring op het Drontermeer. Daar lag namelijk 9 centimeter verse sneeuw op (ik heb het nagemeten).
Nadat ik bij Noordeinde was opgestapt, hielden na een paar kilometer richting Elburg de schaatssporen opeens op, maar een medeschaatser uit Noordeinde, die hier gisteren ook al schaatste toen er nog geen vlok gevallen was, vertelde me dat we nog een stuk verder konden. Dus daar gingen we: als ware pioniers twee verse sporen trekkend door de diepe sneeuw, over ijs dat ondanks de sneeuwdeken van prima kwaliteit was (zo goed had ik het deze winter nog niet onder de ijzers gehad). Mijn onderbenen waren tot de knieën wit van de uiteengespleten, opgeschaatste sneeuw. Het was echt alsof we aan het skiën waren. Na anderhalve kilometer begon het meer om ons heen echter vervaarlijk te kraken, dus keerden we toch maar weer om.
Avontuur: prima, oerervaringen: nog beter. Maar een natte broek, daar was het toch echt te koud voor.

07 februari 2010

Een gat in de kosmos

Misschien zit er wel een gat in de kosmos bij Elshof. Of een of andere trap naar boven. Weet ik veel. Het is in ieder geval een omgeving die noodt tot nadenken. Al kan dat natuurlijk ook gewoon toeval zijn, want zo vaak fiets ik daar niet. Hoe dan ook, net als eerder kwamen ze weer bij Tempelberg (misschien is het die naam wel, in combinatie met mijn brein en verder niks), die gedachten. En zoals zo vaak gingen ze weer over de ontvankelijkheid voor het onvatbare. En over atheïsme (waarschijnlijk omdat mijn vriend Reinier daar onlangs een paar postjes aan heeft gewijd op zijn blog).
Atheïsme is studeerkamerwijsheid, dacht ik, terwijl ik de pedalen zinloos en vermoedelijk ook redeloos rond trapte. Volgens mij bestaan er geen niet-intellectuele, niet-Westerse atheïsten. En dat is veelzeggend. (Ik las laatst in National Geographic wel een verhaal over de laatste jager-verzamelaars in Tanzania, die volgens de auteur nauwelijks geïnteresseerd waren in religie of andere spirituele zaken. Maar ik vermoed dat de schrijver met een Westers godsbeeld in zijn hoofd zat en de volstrekte vanzelfsprekendheid van hun sacrale ervaring van het alledaagse leven over het hoofd heeft gezien. De Roemeense godsdienstwetenschapper Mircea Eliade heeft daar trouwens een prachtige studie over geschreven: De magie van het alledaagse).
Voort pedalerend kwam ook de gedachte in me op dat atheïsme vooral een stedelijk fenomeen is dat floreert in koude klimaten. Opgesloten in de stad, opgesloten in huis, opgesloten in de rede, en een stevig slot op de deur naar ervaringen die je even doen opgaan in het universum, de kosmos, of wat voor naam je er ook aan wil geven (ontologische heelheid, vrede met het bestaan, zen, God, et cetera). In warme landen, waar het leven zich veel meer buiten en op straat afspeelt, doet niemand moeilijk over God, zelfs veel wetenschappers niet. Kijk maar naar de Latijnse landen.
Dus, daarom en derhalve het volgende vermoeden: atheïsten leven in een te beperkte wereld en zijn afgesneden van een wezenlijk deel van de menselijke ervaring. Ze zijn daardoor ergens hun ontvankelijkheid voor het onvatbare kwijtgeraakt. En ze zijn zichzelf, door de vrijwillige opsluiting in hun eigen geest, te belangrijk gaan vinden. In combinatie met een schromelijke overschatting van de redelijke vermogens van de mens, kan dat tot een naar soort fundamentalisme van de rede leiden (zoals je dat ziet bij mensen als Richard Dawkins en de filosoof Floris van den Berg, die vreemd genoeg de laatste tijd nogal hot is; er is overigens weinig rationeels aan dit bozige atheïsme, want een logisch doordenken van de evolutietheorie zou een mens ook via de beslotenheid van de studeerkamer in een koude, grimmige wereld, kunnen voeren naar het inzicht in onze beperktheid en nietigheid, maar dat gebeurt merkwaardig genoeg dus nooit).
Natuurlijk, ik generaliseer enorm. Maar toch denk ik dat er een kern van waarheid in deze gedachten zit (die overigens in rap tempo verdwenen toen ik na Heeten tegen de wind in naar het Noorden fietste en het heel erg koud kreeg). Als je niet buiten komt en niet meer in verwondering om je heen kunt kijken, als je de wijde blik bent kwijtgeraakt, dan zou je kunnen gaan denken dat de rede volstaat. En dan word je nooit geconfronteerd met het gat in de kosmos bij Elshof. Of het er nu is of niet.

05 februari 2010

Het beste van de jaren nul

Zoals eerder beloofd, hierbij de mooiste cd's van de jaren nul (de afgelopen tien jaar dus). Ik zie de laatste tijd steeds meer van dit soort lijstjes verschijnen en helaas klopt daar doorgaans niks van. Om een voorbeeld te noemen: in de laatste Platomania staan wel honderd lijstjes van Plato-medewerkers en recensenten, maar niemand noemt de American Recordings van Johnny Cash. Ik bedoel maar. En mijn nummer 1 ben ik ook maar een keer tegengekomen. Nou ja, hier mijn top 10. Doe er uw voordeel mee.

1. Lambchop Is a woman
Objectiviteit is natuurlijk volstrekte flauwekul als het om muziek gaat. Maar dit is toch echt de mooiste van de afgelopen tien jaar. Een hommage aan het langzame leven. Natuurlijk spelen ook persoonlijke herinneringen mee bij dit soort lijstjes. Zo associeer ik deze cd altijd met een zwoele avond in maart 2002 in een hotelkamer in San Benedetto del Tronto. Ik was in Italië om verhalen te verzamelen voor een roze krantenbijlage. Want de Giro kwam dat jaar naar Groningen. En zoals heel veel avonden daarvoor en daarna luisterde ik in mijn eentje naar Is a woman. Het was een mooie avond, maar niet echt speciaal. En toch komt altijd deze weer naar boven drijven als ik de cd opzet. Dat is dus nostalgie. Met Caterpillar bevat deze cd trouwens ook het mooiste liedje van de afgelopen tien jaar.

2. Johan Pergola
Perfecte liedjes. Jammer dat Johan zo'n beroerde liveband is. Ik heb een stuk of vijf concerten bijgewoond de afgelopen tien jaar en elke keer was het veel te hard, overstuurd en slecht in balans. En dan blijft er dus niks van deze muziek over, want het is juist de perfectie die deze liedjes zo briljant maakt. Vandaar waarschijnlijk dat ik de laatste cd van Johan, die veel ruwer is opgenomen dan de drie voorgangers, zo'n tegenvaller vind. En Pergola is toch ook echt beter dan dan THX JHN. Associatie: de snelweg bij Lemmer, op weg naar oom Kees en tante Ria, en de hoge bergen van Zwitserland, jodelahiehodelahiehee.

3. Johnny Cash American recordings
Okee, dat zijn dus vijf cd's en een box met restjes en psalmen. Maar hier ga ik niet uit kiezen, want ze zijn allemaal even mooi. Om het maar eens pathetisch te formuleren: een groots muzikaal testament van een bewogen en doorleefd bestaan. En als u er dan toch eentje wilt, doe dan My mother's hymn book maar. Associatie: geen, of als toch dan schaatsen op de uiterwaarden van de IJssel, al heb ik geen flauw idee waarom.

4. Daryll-Ann Trailer tales
Geen Weeps (de beste van de jaren negentig), maar wel mijn op-een-na-favoriete van Jelle Paulusma (want Anne Soldaat deed hier al niet echt meer mee). En waarom Jelle Paulusma mijn grote held is kunt u hier lezen.

5. Sam Baker Mercy
Ik had hier ook de andere twee cd's van Sam Baker kunnen noemen (Pretty world en Cotton) want die zijn even goed. Ook over Sam Baker heb ik hier al eerder geschreven.

6. Ron Sexsmith Blue boy
Van Ron Sexsmith kun je alle cd's ongehoord kopen. Allemaal steengoed. Fallen, dat op deze cd staat, is misschien wel het mooiste liefdesliedje van de jaren negentig (al is Caterpillar uiteindelijk ook een liefdeslied). Waar bij Lambchop Is a woman op eenzame hoogte staat (ik hou niet zo van het veelgeprezen Nixon; alleen What another man spills komt wat mij betreft in de buurt van Is a woman, maar die is uit de jaren negentig), daar zijn al Rons albums uit de jaren nul geweldig (bijna elk jaar verscheen er wel eentje). Ambachtelijke liedjes worden het wel genoemd. Dat klopt, maar deze vakman is wel uitzonderlijk goed.

7. Great Lake Swimmers Bodies and minds
Net als Is a woman ook van die mooie, lome americana die het langzame, contemplatieve leven bezingt. Misschien nog wel wat dieper dan Lambchop. Ook over Great Lake Swimmers schreef ik hier al eerder. Heel jammer dat Tony Dekker op zijn laatste cd's voor een groter geluid heeft gekozen en meer is gaan rocken.

8. The Shins Wincing the night away
Wat steviger dan het voorgaande, want ik hou echt niet alleen van rustig. Bevat met Australia het vrolijkste liedje van de afgelopen tien jaar. Keihard draaien en weg zijn alle muizenissen. Met een volstrekte onzintekst, al kan het zijn dat me wat ontgaat. Ook de andere twee cd's van The Shins zijn trouwens geweldig. So says I op Chutes too narrow is bijna even euforisch vrolijk als Australia.

Ik hou het bij deze acht, want die steken er wat mij betreft echt boven uit. Er is natuurlijk nog veel meer moois verschenen, maar om de top 10 te completeren moet ik kiezen uit Greg Brown (Evening call), Tindersticks (bijna alle cd's), Thomas Dybdahl (One day you'll dance for me New York City), Coldplay (Parachutes), Daniël Lohues (Allenig 2), Ponoka (Built to fly), Spinvis, Boards of Canada (Geogaddi), At the close of everyday (Het liedboek voor de mensen), De Kift (Hoofdkaas), Stiller Has (Stelzen), Amy Winehouse (Frank), The Flaming Lips (Yoshimi battles the pink robots), The Church (After everything now this), Mark Olson & Gary Louris (Ready for the flood), Kris Kristoffersen (This old road) en Sufjan Stevens (Illinois). En dat wil ik niet.

03 februari 2010

De weg als vijand

De weg is mijn vriend, normaal gesproken. We hebben een goede band, de weg en ik. Hij leidt me naar waar ik wil zijn. Niet dat ik vaak naar een bepaalde plek wil. Het gaat me meer om het op de weg zijn zelf. De tocht is belangrijker dan het doel; dat is de zin van het fietsen. Zoals een probleem vruchtbaarder is dan een oplossing (twijfel is immers de motor van ons bestaan). Maar goed, de weg is dus essentieel.
Normaal gesproken kun je op de weg vertrouwen. Er zit wel eens een gat in. En er ligt wel eens een glasscherf of een scherp steentje op. Soms komt dat in je band en rij je lek. Big deal. Nieuw bandje steken en je vervolgt je weg (dat is eigenlijk een heel mooie uitdrukking van de band tussen de fietser en de weg: 'je weg vervolgen'). Waar het om gaat is dat de weg meestal een vanzelfsprekendheid is (net als die twijfel). Je kunt erop vertrouwen, afgezien dan van die enkele keer dat je lek rijdt.
Maar vandaag dus niet. Dat kwam door de sneeuw. Er was weer eens een paar centimeter gevallen. Ik dacht dat de zon en de dooi het probleem wel verholpen hadden toen ik vanmiddag begon aan mijn tweede rondje Knobbel van dit jaar (ik moet klimkilometers maken want Alpe d'Huez wacht; ik heb er alweer 10 klimkilometer opzitten volgens mijn tellertje; 360 hoogtemeters in totaal, een kwart Alpe). Maar die sneeuw lag er dus nog. Half gesmolten maakte het de weg op veel stukken spekglad. Zelfs op De Dellen moest ik voortdurend op de weg letten om niet onverhoeds onderuit te schuiven.
Dat fietst niet fijn, als je steeds met je aandacht bij het wegdek moet zijn. Het leidt af van de tocht. Ik was op een gegeven moment alleen nog maar bezig met de gedachte: 'Hoe kom ik zonder vallen thuis.' Dat is geen fietsen, dat is overleven (op een heel bescheiden niveau, ik geef het toe, al dacht ik daar anders over toen me vrachtwagens tegemoet kwamen bij 't Harde en ik op de grote weg reed in plaats van op het fietspad dat helemaal verijsd was; je zult maar onderuit gaan...).
Nu is overleven natuurlijk een belangrijk onderdeel van ons zijn. Maar met fietsen zoek ik toch naar iets anders dan naar het naakte fysieke bestaan (alhoewel?). De weg is mijn vriend in een reis naar iets anders (harmonie? God? mezelf? leegte?). De weg is in zekere zin zelfs dat andere. Maar aan dat andere kwam ik vanmiddag niet toe. Vandaag was de weg was geen vriend maar een vijand.
(Wat overigens niet betekent dat ik niet lekker gefietst heb. De zon verschool zich op De Dellen op een gegeven moment magistraal achter de rand van een enorme stapelwolk, die opeens dreigend opdoemde. Dat ik heb ik toch ook nog gezien, naast het loeren naar de vijand... Kortom: Het ontaardt al snel in onzin als je wat zinnigs probeert te schrijven over al dat gefietst.)

02 februari 2010

Moslims en honden

Meer honden en minder moslims dus. Alsmede de invoering van stadscommando's en preventief fouilleren voor extra veiligheid. Toch fijn dat de PVV eindelijk eens een beetje concreet wordt nu de partij in Den Haag en Almere meedoet aan de gemeenteraadsverkiezingen. Nog een paar PVV-standpunten: geen islamitisch onderwijs en geen halalvoedsel meer op scholen en in ziekenhuizen. Schone en gezellige winkelstraten. Afschaffen van subsidies voor kunst en andere 'linkse hobby's', behalve voor instellingen die vaderlands erfgoed beheren. Keiharde aanpak van dierenbeulen. En, nog zo'n fijne: bestaande moskeeën onder toezicht stellen. Maar het mooiste vond ik toch wel deze: 'Hardleerse overlastgevers en asociale gezinnen verplicht huisvesten in containerwoningen buiten de woonwijken'.
Vrij vertaald, met inachtneming van de bekende Wildersiaanse nuance: concentratiekampen voor afwijkende elementen, alle moslims zo snel mogelijk het land uit, elke stad zijn eigen Ordnungspolizei, en een herdershond met snor voor alle rechtgeaarde Nederlanders (ik ga er gemakshalve maar even vanuit dat dát achter het idee zit om de hondenbelasting af te schaffen). En voor zover het nog niet duidelijk was: de moslims en de linkse intelligentsia zijn de schuld van alles en confrontatie is de enige remedie. Toegegeven, die 'keiharde aanpak van dierenbeulen' is een mooi streven. Ware het niet dat aan de perfide kiloknallers van de bioindustrie minder belang wordt gehecht dan aan ritueel slachten.
Bekijk die websites van de PVV over Almere en Den Haag eens. Ik zeg: knettergek.

(Deze post staat vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden'. Ik had me voorgenomen om nooit een letter vuil te maken aan Geert W. want de enige die daar garen bij spint in dit debiliserende land is Geert zelf. Maar nu ben ik er dus toch ingetrapt. Nou ja, u kunt nu later in ieder geval niet meer zeggen: 'Ik wist van niks.')

27 januari 2010

Een dode haas op het ijs

Hij lag in het Kanaal Almelo-De Haandrik, midden op het ijs. Een dode haas. Zijn achterwerk was half weggevreten. Of misschien was er een schaatser over hem gevallen, toen hij nog helemaal onder de sneeuw lag. Gefileerde hazenbilletjes door het ijzer van een Noor.
Ik vermoed dat hij voor de sneeuwval, afgelopen weekend, is vastgevroren. Zijn achterpoten waren namelijk vastgeklonken in het ijs. En om hem heen lag zeker een centimeter sneeuw op het kanaal. Daar vries je niet aan vast. Maar hoe komt een haas midden in een kanaal? Is hij van de ene wal op het ijs gesprongen en gleed hij steeds uit op het gladde ijs toen hij aan de andere kant weer op de wal wilde springen? Hij lag op het stuk tussen Vriezenveen en Daarlerveen waar de wal vrij hoog is. Wat een wrede dood. Het vroor hier afgelopen weekeinde vijftien graden en dan sta je daar dus als haas: midden op een spiegelgladde vloer. Steeds weer onderuit gaan tot je je uiteindelijk uitgeput neerlegt op het ijs, wachtend op het bitter koude einde.
Het kan natuurlijk ook zijn dat een roofvogel hem te pakken had genomen. De hap bleek echter te vet voor het beest (een buizerd? een wouw?) zodat hij hem van grote hoogte moest laten vallen. Maar dan moet de gulzigaard na een paar hapjes uit de billen van de haas zijn buik dus al vol hebben gehad. Onwaarschijnlijk. Ik ga voor het eerste scenario.
Er kon dus toch nog geschaatst worden vandaag. Een zoektochtje op internet wees uit dat ik kon kiezen tussen het Kanaal Almelo-De Haandrik (fraaie naam trouwens), het Schildmeer en het Damsterdiep tussen Groningen en Appingedam. Vanwege de afstand en de voorspelde ijzel en sneeuw toch maar voor het kanaal gekozen. Bij twee bruggen moest gekluund worden, maar dan had je wel een stuk van ruim 10 kilometer. Met redelijk ijs.
Vooral het stuk tussen Vriezenveen en Aadorp was prachtig. Er lag nog een centimetertje sneeuw op het ijs, maar daaronder was het spiegelglad. Op andere stukken was veel sneeuwijs dat in de loop van de middag steeds brosser werd. Fondantijs heet dat tegenwoordig en er is niks vervelender dan dat. Steeds weer met een ruk overeind komen om een val voorover te voorkomen. Maar wat dondert het: ik heb een paar uurtjes geschaatst, in totaal een kilometer of vijftig. Waarmee mijn schaatskilometers dit jaar vooralsnog gelijke tred houden met mijn fietskilometers. Nu graag nog even de Noorderrondritten (ik heb al sinds de invoering van het iesbewies een startplek op de 150 km, tevergeefs tot nu toe) en dan mag het wel weer twintig graden worden.

20 januari 2010

De eerste kilometers

Het nieuwe fietsjaar is begonnen! Zaterdag de eerste 35 kilometer tussen de wegdooiende sneeuwvelden en vandaag 50 kilometer door het Vechtdal, dat na de regen van de laatste dagen alweer bijna sneeuwvrij was. Zaterdag 1 graad en snijdende wind, vandaag 3 graden en iets minder wind. Met het zonnetje erbij was het bijna aangenaam te noemen, ware het niet dat mijn voeten dus niet warm worden. Ik heb inmiddels bijna alles geprobeerd: van pantykousjes tot skisokken.

18 januari 2010

Zeikerds

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar mij kunnen al die verhalen over zongebrek, blauwe maandagen, geitenruimen, de Irak-commissie, gemiste medailles en de gevaren van asbest eventjes niet meer zoveel schelen. Een stelletje zeikerds, dat zijn we, zoals deze krant zaterdag terecht schreef. "Als de realiteit om de hoek komt kijken, kunnen we daar niet mee uit de voeten", zei hoogleraar James Kennedy in een fraai verhaal in de weekendbijlage. Wij Nederlanders willen alles onder controle hebben en als er ook maar iets afwijkends gebeurt, start ons gezeur. Zoals twee weken geleden bijvoorbeeld, toen ik op deze plek eindeloos doorzanikte over een file in Oostenrijk.
"We zijn ons hoge niveau van welvaart en voorzieningen zo vanzelfsprekend gaan vinden, dat het ongezond is geworden", stelde dominee Bram Grandia. Ik denk dat hij helemaal gelijk heeft. In de 200.000 jaar dat de moderne mens op aarde rondloopt, is er nog nooit een generatie geweest die het zo goed heeft gehad als wij nu in West-Europa. En ondertussen klagen we maar door over sneeuwoverlast, vertraagde treinen, files (inderdaad), vaccinaties en stroomstoringen. Maar ik vrees dat onze zeikmentaliteit nog wel wat verder gaat dan dat soort trivialiteiten.
Want we zijn ook nog eens een stelletje ongelofelijk egoïstische zeikerds. In Haïti zijn vorige week misschien wel 200.000 mensen omgekomen, maar wij maken ons vooral zorgen om de twintig tot dertig Nederlanders die toevallig op het eiland waren. Hun lot vinden we blijkbaar belangrijker dan dat van al die tienduizenden anderen. We zijn tot op het bot verziekt.

(Deze post staat vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden'. De man op het plaatje is een inwoner van Agra, in India. Hij is geen zeikerd, vermoedelijk. Maar er moet toch een plaatje bij en mijn bezoek aan India lag mede ten grondslag aan deze post/column. In tegenstelling tot ons hebben veel mensen in India namelijk wel gegronde redenen tot klagen dan wel zeiken.)

16 januari 2010

Nogmaals India




Nog een paar (de laatste). Wie er nog meer wil zien moet even langs komen. Ik heb er 250 op mijn pc staan.