02 juli 2011

De bergen van vroeger

Dan sta je daar weer, in Scharnachtal, uitkijkend op de Niesen, onderweg naar de Griesalp. Vlak onder de top zie je het Niesenbaantje in de eerste tunnel verdwijnen. En je hoort het ruisen van de Kander in het dal beneden dat zich vermengt met het lawaai van het verkeer. Vlak onder je, in de bocht, ligt het Huis. Het is in 1898 gebouwd, zie je nu, 35 jaar later, voor het eerst. Net als alle voorgaande keren dat je er langs kwam is er geen mens te bekennen. Gelukkig maar. Nu zou zo maar het raam op de bovenste verdieping open kunnen gaan, waar je tante Cora haar kamer had. 'Doe je wel voorzichtig, lieve jongen!' Ach, Scharnachtal...
En je draait je om en fietst verder. De Blümlisalp laat zich vandaag niet zien. Het is een klim van niks tot nu toe. Alleen de eerste kilometers tot Scharnachtal stond er 7 of 8 procent op je hoogtemetertje. Je passeert het schoolplein, waar je voor het eerst verliefd was en je ziet dat er goddank weinig is veranderd sinds die zomer, lang geleden. Genoeg nu, denk je, en je schudt je jeugdherinneringen van je af en concentreert je op de Griesalp, samen met de Niesen je eigen, persoonlijke mythische berg. Na Kiental duurt het nog lang voordat de echte klim eindelijk begint. Maar als het zover is ontdek je tot je grote genoegen dat de laatste twee kilometer van je jeugdberg inderdaad de zwaarste klim vormen die je ooit deed: 14 procent gemiddeld, met pieken tot 28 procent. Het slaat niet eens in de benen, merk je tot je verbazing. En als je eindelijk boven bent, hijg je nauwelijks. De pijn zit onder je longen. Harder fietsen dan 7 kilometer per uur lukt niet.

Terug in het dal besluit je om dan ook maar de Niesen op te fietsen, die andere berg van vroeger. Vanuit het Huis zag je altijd die ene bocht in de weg, waar die uit de rotsen was gehouwen. En op de kaart had je gezien dat die tot halverwege de Niesen verhard zou zijn.
Dat blijkt te kloppen. Meteen na de Kanderbrücke in Reichenbach zie je de weg omhoog lopen. Na een paar honderd meter is ook deze weg Gebührenpflichtig en je weet: ook nu weinig auto's op de weg. Even later miauwen twee buizerds vlak boven je hoofd, zodat je toch je zonnebril maar weer opzet uit angst voor een aanval. Ook de Niesen blijkt loodzwaar, merk je als je precentagetellertje na vier kilometer klimmen tegen 8,5 procent, opeens niet meer onder de 10 komt. Maar de alpenweides vergoeden veel en als je naar de overkant kijkt, kun je op sommige stukken het Huis zien liggen, als een nietig geel stipje aan de horizon. En je realiseert je dat die boom daar, net onder het Huis, een appelboom is.

29 juni 2011

De wind in je helm

Onderstaand verhaal stond vorige week zaterdag in 'Dagblad van het Noorden'.

Wielrennen is de laatste jaren steeds populairder geworden. Waren het vroeger vooral oude tanige mannetjes die op een racefiets reden, tegenwoordig hebben ook dertigers en vrouwen de sport ontdekt. Een poging tot verklaring.

Staatssecretaris Halbe Zijlstra doet het, net als Peter R. de Vries, Helga van Leur en Floortje Dessing. Guido Weijers is een liefhebber, Johan Derksen ook en de beroemde Duitse filosoof Peter Sloterdijk heeft het onlangs ontdekt. Zanger JW Roy kan niet zonder, schrijver Dimitri Verhulst evenmin en zelfs oud-voetballer Jaap Stam werd vorige zomer met een racefiets gespot aan de voet van Alpe d'Huez. Mijn halve voetbalteam beoefent het als tweede sport en mijn vriendin doet sinds een half jaar niks anders meer (uitleg volgt).
Iedereen die zelf wel eens op de racefiets zit, of zich met een ander vervoermiddel buiten de stad begeeft, moet het zijn opgevallen: er zijn steeds meer wielrenners. Ik kan het weten want ik ben er zelf eentje, al heel lang. Een paar jaar geleden werd het opeens een stuk drukker op fietspaden en B-wegen en de opmars van de racefiets is nog niet ten einde. Steeds vaker zie je pelotonnetjes over de wegen razen, vaak zonder al te veel acht te slaan op de andere weggebruikers. Alleen 's winters, in de vrieskou, maak ik nog wel eens een tochtje waarbij ik geen andere wielrenners tegenkom.
Die persoonlijke indrukken moeten eenvoudig te staven zijn met cijfers, zou je denken. "Helaas", zegt Paul de Waal van de Bovag. "De cijfers zijn niet erg precies." Uit de jaarrapportages van de brancheorganisatie valt op te maken dat de verkoop van (nieuwe) racefietsen drie jaar geleden opeens ruim verdubbelde: van 14.000 in 2007 naar 36.000 in 2008. Maar dat zijn geschatte getallen, zegt De Waal. Lange tijd werden racefietsen zelfs helemaal niet opgenomen in de jaarcijfers. "De enige harde conclusie die je kunt trekken, is dat zich tussen 2005 en 2009 een grote sprong heeft voltrokken en dat er nog steeds een gestage groei plaatsvindt."

Dat zien ze ook bij de NTFU, de Nederlandse Toer Fiets Unie, de organisatie die de belangen van de sportieve racefietsers en mountainbikers behartigt. "Ons ledental steeg in 2010 met 4 procent tot ruim 48.000", zegt Carolijn Caderius van Veen. Maar lang niet iedere racefietser is lid van de NTFU. "Jaarlijks worden er ongeveer 500.000 startbewijzen uitgegeven bij toertochten en meer dan de helft van de deelnemers is geen lid", zegt Caderius van Veen. "En dan heb je natuurlijk ook nog de licentiehouders die lid zijn van de KNWU en wedstrijden rijden."
Marktonderzoeker Patrick Langley heeft ook geen harde cijfers over pakweg de laatste tien jaar. Die heeft hij wel voor 2010. "Er zijn 5 procent meer racefietsen verkocht en de omzet steeg met 15 procent tot 34 miljoen euro", zegt hij. Maar hoeveel mensen in Nederland doen er nu eigenlijk aan wielrennen? Niemand die het weet, ook Langley niet. "Racefietsen vormen nog steeds een van de kleinere segmenten in de fietsaankopen", weet Langley wel. Maar dat zegt niet zoveel in een land waar in totaal 18 miljoen fietsen rondzwerven. De NTFU komt nog het dichtst bij een antwoord. "In Nederland gebruiken 1 tot 1,2 miljoen mensen een fiets om te sporten", weet men daar. Maar dat cijfer is inclusief mountainbikers en mensen die op een gewone fiets sportieve tochtjes maken.
Andere vraag dan maar: wat beweegt een mens om, op een goede dag, op een racefiets te stappen? "Mijn broer ging fietsen en het leek mij ook wel leuk", zegt Jan van Mulligen (31), teamgenoot van mijn voetbalelftal Gronitas zaterdag 3. Jan kocht vier jaar geleden zijn eerste racefiets. "Ik was gelijk verkocht en ben meteen fanatiek gaan fietsen. Het ging me goed af. Ik kon prima meekomen met jongens die het al jaren deden. Het eerste jaar fietste ik meteen al 3000 kilometer. Daar zit ik nu nog op, maar het streven is om richting de 4000 per jaar te gaan."
Zelf stapte ik als tiener voor het eerst op een racefiets. Jarenlang deed ik dat overigens alleen maar tijdens de Tour de France: dan leende ik mijn broers zilverkleurige Gazelle (met spatborden en verlichting) om Joop Zoetemelk te spelen. De heroïek van de wielersport werkt bij velen racefietslustopwekkend. Veel racefietsers zijn wielerfanaten, vandaar ook dat idiote, levensgevaarlijke gedrag van die pelotonnetjes bij plaatsnaambordjes. Dan doen ze net alsof daar een denkbeeldige finishlijn ligt en moet er dus gesprint worden.
"De start van de Giro d'Italia en de Tour de France in Nederland, vorig jaar, heeft grote impact gehad", vermoedt Bovag-woordvoerder De Waal. "Net als de Vuelta-start in Drenthe, in 2009. Het is een hype geworden om het parkoers van klassiekers na te rijden en etappes uit de grote rondes. Denk maar aan de enorme populariteit van de Amstel Gold Race of al die mensen die Alpe d'Huez opfietsen. Er is natuurlijk ook een algemene trend naar individualisering in de sportbeoefening. Mensen willen flexibel zijn en niet meer zo gebonden aan een bepaalde avond of vaste tijdstippen. Ook het toegenomen gezondheidsbewustzijn speelt zeker een rol." En steeds meer mensen fietsen voor een goed doel of tegen kanker, zoals Alpe d'HuZes.
Maar het kan natuurlijk ook zijn dat je een racefiets koopt omdat iemand uit je omgeving je dwingt. Zo ging het bij mijn vriendin, vijf jaar geleden. "Er is niks mooier dan samen te lijden op een bergpas in de zomerhitte", hield ik haar voor. Op de eerste col die we die zomer in Italië beklommen, fietste ze me helemaal naar de kloten (pardon, maar zo zeg je dat in wielerjargon). Inmiddels is ze profwielrenster bij de ploeg van Leontien van Moorsel en over een paar weken rijdt ze de Giro d'Italia voor vrouwen. Samen met een (toer)fietsende vriendin schreef ze afgelopen winter zelfs een boek over wielrennen: Vrouw & Fiets, met allerlei tips voor vrouwen die willen beginnen met racefietsen. Het is na vier maanden al aan zijn vierde druk toe.
Want ook dat is opmerkelijk: wielrennen is niet meer voorbehouden aan tanige mannetjes op leeftijd die kromgebogen over hun stuur tegen de wind zich kampioen wanen. Steeds meer (vooral jonge) vrouwen kopen een racefiets. "Bij ons wordt de groei in de verkoop vooral veroorzaakt door dames", zegt Marcel Luppes van fietsenzaak Luppes & Co in Hoogeveen. "Op de honderd racefietsen die ik verkoop gaan er nu tussen de vijftien en twintig naar dames. Dat waren er vijf jaar geleden twee of drie. Vijf of zes jaar geleden was er voor dames nauwelijks iets te vinden op racefietsgebied. Nu heb je speciale dameslijnen."
Een sluitende verklaring voor de toegenomen populariteit van de racefiets onder vrouwen heeft oud-wielerprof Luppes niet. "Misschien is het het Marianne Vos-effect", probeert hij. "En vrouwen doen steeds vaker mannendingen. Mijn eigen vriendin fietste nooit, maar is nu ook begonnen. In mijn vriendenkring gaan alle vrouwen opeens fietsen. Het is natuurlijk ook gezond en blessure-ongevoelig als je het vergelijkt met hardlopen. Eigenlijk is het heel logisch, want vrouwen fietsen van oudsher veel meer dan mannen: boodschappen doen, kinderen naar school brengen. De meeste gewone fietsen worden aan vrouwen verkocht."

Rest nog de vraag waarom mensen überhaupt aan wielrennen doen. Wat is er nu zo leuk aan fietsen op zo'n wankel karretje met van die dunne bandjes, in een allerminst comfortabele houding? Natuurlijk, wielrennen is goed voor je figuur, je kunt je hoofd leegmaken, maar dat geldt ook voor veel andere sporten. "De veranderende omgeving, de vrijheid", probeert mijn teamgenoot Jan van Mulligen. "Voetbal is statisch, bij fietsen zie je heel veel en doe je heel veel verschillende indrukken op. Het kalmeert me ook altijd. En het mooie is dat je het alleen kunt doen, maar ook met een groep. Als je een keer anderhalf uur over hebt, stap je op de fiets en ben je er echt even uit."
"Het is zo mooi om de seizoenen te zien wisselen", zegt mijn vriendin, die altijd fietst, zo'n 30.000 kilometer per jaar. "Als ik een zware training doe of een wedstrijd fiets, dan zie ik natuurlijk niet zo veel van de omgeving. Dan is het vooral het gevoel dat je alles uit je lichaam gehaald hebt dat voldoening geeft. Maar als ik een lange duurtraining doe van 150 kilometer, dan voel ik me net een reiziger in eigen land." Misschien is dat het wel: elke fietstocht is een avontuur, een verhaal met jezelf in de hoofdrol. Soms ontdek je nieuwe wegen en nieuwe punten in het landschap om je heen, soms is het een reis door je eigen geest. En heel soms valt alles samen en word je één met alles om je heen.
"Wat ik ook heel gaaf vind, is dat je echt grote afstanden kunt overbruggen", zegt Jan van Mulligen. "Dat geeft me een kick. Ook bij een kort ritje zit je al snel op 50 kilometer." Dat is ook zoiets: je tijdsbesef verandert op de racefiets. "Ik fiets wel eens van Groningen naar Hasselt, waar mijn ouders wonen", zegt Jan. "Met de auto is dat een uur rijden; dat is gevoelsmatig een lange zit. Op de racefiets ben ik drie uur onderweg, maar voelt het veel korter."
Ik fiets zelf jaarlijks tussen de 5000 en 6000 kilometer. Het zijn de vogels, denk ik soms, en de bloemen in het voorjaar, of de tientallen verschillende tinten groen. Maar, zal een wandelaar zeggen, dat is ook waarom ik er met de wandelschoenen op uit trek. Oké, het is dát in combinatie met een diepgewortelde liefde voor de wielersport. Anders kan ik niet verklaren waarom ik in het voorjaar naar Wallonië afreis om op één dag vier keer de Muur van Hoei op te fietsen. Of waarom ik 's zomers graag worstelend en pijn lijdend Alpencols bedwing. Het is reiken naar de heroïek van het onbereikbare.
"Het is de wind in je helm, het gevoel dat je één bent met je fiets", zegt mijn vriendin, nadat ze er nog eens over heeft nagedacht. "Ik had eigenlijk liever wielen gehad dan benen, bij wijze van spreken. Hardlopen, wat ik ook veel heb gedaan, is zo bonkig. Voortbewegen op wielen voelt veel fijner en soepeler. Ik denk dat fietsen op een racefiets het dichtst bij vliegen komt. En dat is toch waar ieder mens van droomt."

18 juni 2011

Sentimentele reis

Dat parkeerkaartje uit Chur bracht deze column in herinnering, die ik nog niet eerder op dit blog heb geplaatst. Het is er eentje uit het Dagblad van het Noorden van juni 2003.

Dan ga je dus een weekje naar Zwitserland, op zoek naar de tijden die voorbij zijn, samen met een vriend die als kind ook altijd in Berner Oberland op vakantie ging. Op zoek naar het paradijs van je jeugd. Lauterbrunnen, Interlaken, Thun, Reichenbach en natuurlijk Scharnachtal. Ach, Scharnachtal...
En je merkt dat veel nog hetzelfde is. In Reichenbach ruikt de boekwinkel nog net zo als dertig jaar geleden. In het zwembad van Thun is winnen met voetbal van Zwitsers nog steeds niet moeilijk. Op de Sustenpass is het nog steeds slecht weer. En in Scharnachtal, waar je op het schoolplein voor het eerst droomde van een meisje, domineren de Niesen en de Blümlisalp nog altijd de horizon.
En toch is alles anders. Het oranje VW-busje is vervangen door een donkerblauwe Renault Laguna met airco. Citroenijsjes verkoopt de familie Ritter (vage blikken van herkenning) niet meer. De supermarkt in Interlaken is onherkenbaar verbouwd. En de waterval in Lauterbrunnen is veel kleiner dan vroeger. Lange tochten blijken ritjes van niks en nieuwe tunnels ondergraven de jeugdherinneringen aan onderweg.
En tijdens je zoektocht naar vroeger besef je opeens dat je herinneringen verdrongen worden door het heden. Erger nog: je volwassenheid filtert de onbevangenheid van de jeugdervaringen uit. De schoonheid van vroeger herken je nu als kitsch. Alleen waar het verval hard heeft toegeslagen of de vernieuwing het verleden heeft uitgewist, triomfeert de weemoed en blijft het kind in je gespaard.
En dan word je nog sentimenteler en denk je: wegwezen hier. Op naar andere oorden, op naar nieuwe herinneringen. In het besef dat vroeger nooit meer terugkeert. En dat je het verlangen naar toen moet koesteren met oude, vergeelde foto’s en de beelden in je hoofd.

Afscheid

Gistermorgen heb ik mijn Laguna ingeruild en 's middags lag hij al bij de sloop. Ruim twee jaar geleden schreef ik deze column voor Dagblad van het Noorden over mijn trouwe vierwieler. Toen had ik niet durven dromen dat hij het nog twee jaar zou uithouden. Maar hij bracht mij en de mijne de laatste jaren nog naar Zwitserland, Italië, Frankrijk, België, het Sauerland (zie foto) en heel veel andere oorden. Twee weken geleden, hij reed toen al op 'drie benen' zoals mijn garagist zei, waren we nog in Duitsland voor de Tecklenburg Rundfahrt. Maar na ruim 343.000 kilometer was het over. Een ochtendhoestje bleek een lekke cilinder te zijn en de apk zou hij niet meer overleven. Dus besloten we vorige week op zoek te gaan naar een nieuwe auto. Het was alsof Laguna het wist. Donderdagavond begon opeens de stuurbekrachtiging te kreunen. Ik klopte hem nog eens bemoedigend op het dashbord, maar eenmaal thuis heb ik hem liefdevol afgelegd. Ik kwam bij het opruimen nog oude herinneringen tegen: een perskaart van de HEW-classic in Hamburg van jaren geleden, een parkeerkaartje uit Chur van juni 2003, uitgedroogde dropjes, een tee uit de tijd dat ik nog golfde... Toen ik hem vrijdagmorgen bij zijn beul bracht voelde dat niet fijn. Met een zachte, nauw verholen streling van zijn achterste nam ik afscheid. Merkwaardig dat een mens zelfs gevoelens kan gaan koesteren voor een verzameling oud ijzer. Stiekem hoopte ik dat Laguna nog eventjes zou toeteren.

12 juni 2011

Op zoek naar de zeearend

Het leek me vandaag een mooie dag om terug te keren naar het Drontermeer. Daar was ik sinds de laatste ijstijd niet meer geweest. Het was de lokroep van de zeearend die in mijn hoofd weerklonk. Maar helaas, de vliegende deur liet zich niet zien.
Ik zag wel:
laagvliegende zwaluwen op vliegenjacht, die vlak voor me over de weg scheerden;
het schaduwspel van zon en wolken;
mussen die tegen de wind in bidden en plots toesloegen in het weiland;
een luid kievitende kievit die vijftig meter met me op vloog om me weg te leiden bij haar nest;
hevig trillende kangoeroes achter een hek bij Zuideinde;
een jonge buizerd, traag zwevend op een van zijn eerste vluchten;
niet eerder befietste wegen in een schitterend stukje Oud-Hollands Nederland, tussen Oosterwolde en Elburg;
een wanhopig krijsende grutto op een paaltje in de Eektermerk die opvloog, terugkwam en me om hulp leek te vragen, maar ik wist niet waarbij;
lege, rechte, verlaten wegen in de zon;
koeien die neerkeken op wielrenners vanaf de dijk bij Noordeinde;
een gigantische maar veel te oude zadelzwam op een knotwilg in Zalk;
jonge maïs die maar niet wil groeien, gelukkig;
pas gemaaid grasland dat rook naar vroeger;
een veldleeuwerik die een vrolijk Pinksterlied aanhief;
en elektriciteitsmasten die verdwenen in de verte van de wijkende horizon.
Het was een prachtige dag, vol stilte, wolken, lucht en leegte.

05 juni 2011

Klimmen rond de (kern)centrale

Als je er goed over nadenkt is het natuurlijk waanzin: 's ochtends om zeven uur in de auto stappen, 135 kilometer rijden naar Ibbenbüren, vervolgens op de racefiets stappen en 135 kilometer fietsen en zes uur later na twee Bratwürste met patat vervolgens weer 135 kilometer in de auto naar huis. Okee: ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om een flinke voorraad Duits bier in te slaan. En de Tecklenburg Rundfahrt is een prachtige tocht (afgezien van die energiecentrale die eruit ziet als een kerncentrale maar het niet is, geloof ik, al meenden we op een gegeven moment wel smeltende splijtstaven te ruiken).
Wonderbaarlijk genoeg is deze toertocht veel rustiger dan de Amstel Gold Race, terwijl de hellingen heviger zijn (minder lang, maar een stuk steiler met pieken tot 25 %), de omgeving nog mooier, het inschrijfgeld veel lager (7 euro), geen halvezolenfeesttent na afloop maar een rustig terras, een prima organisatie en uitstekende douches om het zweet weer van het lichaam te spoelen. En het is dus ook nog eens dichterbij voor mensen uit het Noorden en het Oosten, waar zoals bekend de wijzen vandaan komen. Maar goed, het blijft rationeel bezien wel een merkwaardige hobby natuurlijk. (Wat meer weer eens bewijst dat de rede helemaal niet zo belangrijk is als drijfveer voor ons handelen als we graag denken.)

29 mei 2011

Hollands Schwarzwald

Een week na terugkeer uit het echte Schwarzwald fietste ik gisteren door Hollands Schwarzwald. Ik kwam vanuit Markelo en het land glooide, maar van echte bergen geen spoor. Vlak voor Rijssen, waar vriendin M. een wedstrijd reed, kwam ik Hollands Schwarzwald binnen: een bos, wat leemafgravingen die natuurlijk reliëf suggereren en wat slingerweggetjes, meer is het niet (waarom de 324 bomen vlak ervoor Klein Zwitserland heten werd me ook niet echt duidelijk). Geen Schauinsland te bekennen, helaas. En waarom heet het eigenlijk 'Hollands' Schwarzwald? Dit is Overijssel! Hoofdschuddend fietste ik verder richting de Ronde van Rijssen, die vlakbij werd verreden. Het begon steeds harder te regenen, wat ook al niet klopte met mijn beeld van het echte Schwarzwald.

25 mei 2011

Bergpraat

"Pffffff...."
"Hoeh!"
"Gronk..."
"Wah!"
"Uche! Uche!"
"Pfuioei..."
"Pfffff..."
"Aaaahh."
"Gronk...Pfff."
"Pwooooh."
"Kutzon!"
"Gronk..."
"Wah!"
"Uche! Uche!"
"Pfuioei..."
"Schaduw!"
"Bwaaa."
"Burp!"
"Gronk..."
"Na die bocht zijn we er."
"Bwah."
"Pfuioei..."
"Pfffff..."
"Aaaahh."
"Oh nee, toch niet."
"Pfffff..."
"Hààhhh..."
"Burp."
"Fhwoeh!"
"En dit is leuk?"
"Ahhh..."
"Pfffffff..."
"Kutzon!"
"Fwiui.."
"Bwàh!"
"Teringberg."
"Gronk..."

23 mei 2011

Kleintje Zoncolan

Links achterin het dal ligt ie. Als je na het dorp Münstertal rechtdoor gaat, kom je na een prachtige slingerweg boven op Belchen, de op een na hoogste top van het Schwarzwald. Dat is die ronde berg midden op de foto. Maar daar gaat het dus niet om. De afslag richting Stohren, verscholen ergens achter die groene heuvel links, dat is hem: het kleintje Zoncolan.
Na vijftig meter zie je een bord, rechts, met zo'n berg in een rode driehoek: '18%' staat erop. En eronder de aanduiding '5 km'. Dat is overdreven. Het smalle weggetje dat zich door een kloof langs een bergbeekje omhoog slingert, is 'slechts' 3,5 kilometer lang echt steil. En geen 18% gemiddeld maar 12% (met pieken tot 20%; dat dan weer wel). Daarmee is de klim net zo zwaar als de Monte Zoncolan. Het is een mooie gedachte: ik kan de Zoncolan beklimmen, want ik ben vrijdag zonder afstappen boven in Stohren aangekomen, waar de weg afvlakt. Harder dan 7 à 8 kilometer per uur ging het niet, maar wat maakt het uit.
Voor wie zijn doelen wat meer bescheiden kiest, is het Schwarzwald ook een mooi testgebied. Neem de Kandel, vanaf Waldkirch: 11 kilometer klimmen tegen iets meer dan 8%. Dat is op 2 km na Alpe d'Huez. Boven wacht onderstaand uitzicht op het Rijndal.
Prachtig fietsgebied, dat Zwarte Woud. In vijf dagen legden we ruim 400 kilometer af en beklommen we prachtige cols met namen als Hochblauen, Schauinsland en Kreuzweg. En je kunt er in het Rijndal ook prachtige glooiende routes fietsen naar de vulkanische heuvels van Tuniberg en de Kaiserstuhl. Het bier is wit, de wijn is goed, de wegen leeg, het leven goedkoop - en dat alles op slechts 600 kilometer van Zwolle. Je zou er bijna kwalijke liederen van gaan zingen.

09 mei 2011

Fietsen en bewustzijn

Maandag stond in Dagblad van het Noorden onderstaande vijfsterren-'recensie' van mijn hand:

Het raadsel van het bewustzijn
'Het zelf wordt zich bewust', het nieuwste boek van neurowetenschapper Antonio Damasio, is al een tijdje uit maar te belangrijk om onbesproken te blijven. Hersenboeken zijn momenteel mateloos populair, maar de meeste bevatten voornamelijk sterk gesimplificeerde anekdotiek. Wie écht iets wil weten over het biologische wonder dat ons brein is, leze Damasio. Waarschuwing vooraf: het kost veel tijd en moeite, want Damasio serveert een flinke hoeveelheid neurowetenschap. De aanhouder wordt echter verrijkt met een diep inzicht in de grillige evolutionaire geschiedenis van de hersenen in het algemeen en het menselijk bewustzijn in het bijzonder. Ook al begrijpen we daarvan nog maar een fractie, zoals Damasio keer op keer benadrukt. Terloops veegt hij elegant de vloer aan met de modieuze opvatting dat de vrije wil (’bewuste wil’ is een betere term) een illusie zou zijn en wijst hij op de essentiële rol van kunst voor het menselijk bewustzijn. Een hondsmoeilijk maar erg belangrijk boek.

Om het belang van dit boek iets duidelijker te maken, zal ik hieronder enkele ideeën van Damasio aanstippen. De fietsliefhebber die dit blog leest, zal nu misschien zeggen: 'Wat heeft dat met 'Job fietst ook' te maken?' alsmede 'Ga in vredesnaam toch weer eens fietsen!' Dat laatste doe ik zeker: volgende week ga ik naar het Schwarzwald om de favoriete fietsrondjes van Jan Ullrich te verkennen. Maar fietsen en bewustzijn hebben wel degelijk veel met elkaar te maken. Over een paar jaar hoop ik dat te bewijzen in een nieuw boek, waar ik momenteel aan werk. Even geduld nog derhalve. Maar de goede verstaander, die door dit blog weet wat mij in het fietsen fascineert, begrijpt uit onderstaande waarnemingen wellicht al een beetje wat ik bedoel.

De biologische basisprincipes:
* De bewuste geest is ontstaan binnen de geschiedenis van de regulering van het leven (homeostase): handhaving van de chemische parameters in het lichaam binnen de marges die met leven verenigbaar zijn.
* Levensregulering (een dynamisch proces) begint in eencellige diertjes en vindt in meercellige wezens ook op cel- en orgaanniveau plaats. Bij mensen is niet-bewuste levensregulering uitgebreid met culturele levensregulering, aangestuurd door de bewuste geest.
* Het bewustzijn is ontstaan als bijdrage aan een effectiever beheer van biologische waarde.
* Niet-bewuste instandhouding van het leven staat op een hoger plan en bevat de blauwdruk voor de zienswijzen en intenties van de bewuste geest. De bewuste geest heeft fundamentele 'kennis' van het instandhouden van het leven - waar ook eencellige organismen over beschikken - kenbaar gemaakt. De 'verborgen wil' van de cellen wordt nagebootst door de circuits in het brein.
* Het meest essentiële bezit van elk levend wezen is de uitgebalanceerde reeks processen in het lichaam die met een gezond leven te verenigen is. Het basisprincipe van biologische waarde is gezond overleven tot de leeftijd waarop een organisme zich succesvol kan voortplanten.
* Dat overleven wordt gestuurd door interne waarneming ('hoe staat ons lichaam, de cel ervoor?'), externe waarneming ('wat gebeurt er in onze omgeving?') en onze responsen daarop. Pijn en genot zijn daarbij de fundamentele parameters.
* Emoties zijn de kroonjuwelen van de levensregulering. Gevoelens van emotie zijn samengestelde percepties van wat er in geest en lichaam gebeurt als we emotioneel handelen.
* Primordiale gevoelens (spontane reflecties op de toestand van het lichaam) zijn de oorsprong van alle andere gevoelens.

De ontwikkeling van het bewustzijn:
* Hoe complexer het organisme, hoe complexer de programma's waarmee het reageert. In deze ontwikkelingen zijn hersenen ontstaan, die het lichaam tot het natuurlijke thema van de geest maken.
* Het voordeel van bewustzijn is gelegen in de verbetering van de levensregulering van het lichaam in steeds complexere omgevingen (de meeste soorten opereren uitsluitend middels geautomatiseerde levensregulering).
* Het levende lichaam is de sleutel tot de geest: het lichaam dicteert de parameters die van belang zijn voor het leven, het brein brengt allereerst het lichaam in kaart (de 'als-of kringloop'), en signalen van buiten het lichaam bereiken het brein via het vlees (namelijk: middels de zintuigen).
* Onze hersenen worden constant geconfronteerd met een overdaad aan input van voorstellingen: deze moeten geselecteerd en geordend worden in een coherente verhaalstructuur.
* Het zelf is geen ding maar een dynamisch proces; het heeft geen vaste plek in het brein maar is een proces, dat soms sterk aanwezig is en dan weer zwak. 'De dirigent ontstaat pas tijdens en door de uitvoering'.
* De hersenstam is de leverancier van de fundamentele aspecten van bewustzijn omdat hij de belangrijkste bron is van primordiale (lichaams)gevoelens. De uitwisseling van die informatie met de hersenschors, via de thalamus (de andere twee basisstructuren die betrokken zijn bij het bewustzijn), is door de toegenomen cognitieve eisen grof en ruw geworden. (Damasio suggereert hier dus dat we te ver zijn losgezongen van onze lichamelijke roots. Zijn we daardoor te rationeel geworden?)
* Enkele voordelen van bewustzijn: planning, overweging, het uitstellen en/of beletten van automatische responsen.
* Niet-bewuste processen blijven controle uitoefenen op veel acties.
* Dankzij bewustzijn kunnen sommige niet-bewuste processen geoefend worden, ontwikkeld en geperfectioneerd (taalgebruik, pianospelen, etc.). Rituelen spelen daarbij een belangrijke rol.
* Het vertellen van verhalen is iets dat de hersenen impliciet en van nature doen. Kunst is essentieel voor het vertellen van verhalen en ook voor het herstel van homeostase.

Tot zover. Of het iets verduidelijkt, vraag ik me af, maar goed. Gewoon lezen dat boek dus en daarna A Mind So Rare van Merlin Donald (dat Damasio vreemd genoeg niet lijkt te kennen). Die twee boeken samen leveren meer zelf- en levensinzicht op dan de complete filosofische bibliotheek van de laatste 100 jaar.
En waar is God gebleven in dit verhaal? Voor al degenen die hem/haar/het/'...' missen, kan de volgende conclusie van Damasio troost bieden: "Het mysterie van het bewustzijn is nog altijd een mysterie, al is er een klein beetje licht op geworpen."

02 mei 2011

'Hardloper Huizenga' voor een tientje

Even reclame maken voor mezelf: de vaste prijs van mijn boek Hardloper Huizenga is per 1 mei opgeheven, zoals dat heet in het boekenjargon, en dus kan ik het boek nu aanbieden voor tien euro (inclusief verzendkosten). Zolang de voorraad strekt natuurlijk. Mail uw adresgegevens naar job.van.schaik@gmail.com en ik stuur het op, indien gewenst gesigneerd.

Zoals dat hoort, enkele persstemmen (blurps) ter aanprijzing:
* "Wat een leven, wat een boek" - Guus Middag in NRC Handelsblad
* "Uitmuntend historisch onderzoek" en "zeer goed geschreven boek" - jury Nico Scheepmaker Bokaal 2010
* "Soms, het is maar zeer soms, verschijnt er een boek waarvan de lezer al na een paar bladzijden weet: ja-ja-ja, dit is het helemaal, laat het niet stoppen, hoe rek ik het lezen zo lang mogelijk?" - Dylan van Eijkeren op De Papieren Wereld
* "Eén van de merkwaardigste en fascinerendste levensverhalen uit de Nederlandse sportgeschiedenis" en "verplichte lectuur voor iedereen die interesse heeft in de sporthistorie" -Rob de Haan op NuSport.nl

Zo kan het wel weer even. Wie meer wil weten over het boek clickt op www.hardloperhuizenga.nl. Daar staan ook alle recensies.

26 april 2011

De jacht op de oer-Drent

Het is een bizar toeval. Mag je als journalist een dagje meezoeken met archeologen, sta je na vier uur bukken, stenen oprapen, bekijken en weggooien opeens met een door Neanderthalers bewerkt stuk vuursteen in je handen. "Een prachtige afslag", zegt Jaap Beuker opgetogen, terwijl hij het artefact nog eens bestudeert. "Kijk: de slagbult, goede hoeken, duidelijke negatieven, mooie windlak… De mooiste vondst van de dag!" De conservator archeologie van het Drents Museum legt de vindplaats nauwkeurig vast met zijn GPS-meter. Marcel Niekus, archeoloog van de Rijksuniversiteit Groningen, is er inmiddels bij komen staan, net als de andere zoekers. "Gefeliciteerd", zegt Niekus enthousiast. "Dit is echt heel bijzonder. Veel amateurarcheologen zoeken twintig jaar zonder succes naar Neanderthaler-artefacten en jij raapt er op je eerste dag al eentje op."
Welkom in de wereld van de archeologie. Met zijn tienen struinen we een akker af in de buurt van Assen. Naast elkaar lopend, blik op de grond vlak voor ons, volgen we de voren in de zwarte aarde. Elke vierkante centimeter wordt systematisch bestudeerd, alsof we politieagenten zijn op zoek naar bewijsmateriaal. Een rondcirkelende buizerd kijkt vanuit de hoogte op ons neer. Het is vandaag bewolkt maar droog en er is genoeg licht. De akker, die deels net is omgeploegd, is eigenlijk iets te droog en stoffig maar verder is het ideaal zoekweer, meent Beuker. "Met volle zon heb je teveel reflectie. En we hebben hier ook wel rondgelopen met regen terwijl het een stuk kouder was. Zakte je tot je enkels weg in de zuigende modder. Dat is geen pretje, zeker als je dan niks vindt."
Ooit bevond zich op deze plek, aan de rand van een beekdal, een jachtkamp van Neanderthalers, de oudste bewoners van Drenthe. Het is een opwindende gedachte: de ‘afslag’ die uw verslaggever zojuist opraapte, is minstens 50.000 jaar geleden voor het laatst door een mensenhand aangeraakt. En dan ook nog door iemand die behoorde tot een andere mensensoort, die vele duizenden jaren geleden voorgoed van de aardbodem verdween. "Een afslag is een bijproduct van het maken van stenen werktuigen, zoals vuistbijlen", legt Beuker uit. De conservator uit Assen geldt als dé specialist in Nederland op het gebied van vuurstenen werktuigen. "Als ze de goede vorm hadden, werd er met zo’n afslag vlees gesneden of huiden uitgeschraapt. Het zou best kunnen dat die van jou daar ook voor gebruikt is."
Let wel, we hebben het hier niet over het snijden van een biefstukje uit de bil van een koe. In de tijd van de oer-Drenten liepen hier mammoeten, wolharige neushoorns en rendieren rond. Neanderthalers jaagden op groot wild en op deze plek beenden ze hun vangst uit en prepareerden ze het vlees. "Als ze verder trokken, lieten ze de werktuigen vaak achter", zegt Beuker. "Vuistbijlen, die ze ook gebruikten voor houtbewerking, maak je in tien minuten."
Drenthe vormde voor de Neanderthalers de noordelijke rand van hun leefgebied. Het landschap zag er in hun tijd heel anders uit dan nu. Zo waren er bijvoorbeeld grotere reliëfverschillen. "De dalen zijn nu opgevuld met sediment, waardoor de bodem op sommige plekken wel vijftien meter hoger ligt", vertelt Niekus. "En van boven zijn delen geërodeerd. Als je een beeld wilt krijgen van toen, moet je al het veen wegdenken, en ook de dekzanden en de bossen." Door de wisselingen in het klimaat varieerde de flora en de fauna. "In de koudste periodes trokken de Neanderthalers weg. Toen was het hier een poolwoestijn met sneeuw- en zandstormen. Stukken vuursteen die toen aan de oppervlakte lagen, kregen daardoor een glans die we windlak noemen."

Je moet wel een beetje gek zijn om dit te doen, vertellen de stenenzoekers tijdens de lunch, aan de rand van de akker. De thermosflessen met koffie komen tevoorschijn en Jaap Beuker deelt koekjes uit. "Het is net kievitseieren zoeken op een weiland waar geen kievitten zitten", zegt Dick Brinkhuizen, die zo slim is geweest om een stoeltje mee te nemen. De Groninger archeoloog – gespecialiseerd in visresten uit archeologische opgravingen – vond vanmorgen de eerste afslag van de dag. Hij is de topscorer van de groep op deze akker, met maar liefst drie Neanderthaler-vuistbijlen. "Puur geluk", relativeert Brinkhuizen, die al sinds 2007 op deze plek meezoekt. "Je pakt een stuk vuursteen op waarvan een randje uit de grond steekt en dan blijkt het een vuistbijl te zijn." Een andere speurder van het eerste uur, Assenaar Jan van Rijn, zoekt ook al jaren mee, maar vond tot vandaag slechts twee afslagen. "Het grijpt je of het grijpt je niet", zegt de amateur-archeoloog.
Zoeken naar Neanderthaler-artefacten is een oefening in traagheid en geduld, met ‘s avonds zere voeten, een pijnlijke rug en last van je nek. "Je komt nergens zo dichtbij de Neanderthalers als hier", verklaart amateurarcheoloog Henk Paas de aantrekkingskracht van deze hobby. "In Groningen liggen er meters klei op de gronden waar ze rondliepen, maar hier leefden ze op de grond waar wij nu ook op lopen. Dat idee vind ik zo speciaal." De Assenaar is in het dagelijks leven begeleider van mensen met een verstandelijke beperking. "Daarom loop ik op de akker ook achteraan", grapt hij. "Kan ik mooi een oogje op jullie houden." Archeologenhumor, het hoort erbij, op zo’n lange dag op de akker. "Gelukkig", zegt Beuker als uw verslaggever een dood sijsje op de akker fotografeert voor zijn dode-dierencollectie. "Er zijn dus mensen met nog vreemdere hobbies."
Beuker beleefde in november vorig jaar zijn finest hour op deze akker, toen hij een prachtige vuistbijl vond. "Ik heb daarna zeker drie nachten niet geslapen", zegt hij. "Het hart slaat je over als je opeens met zo’n vuistbijl in handen staat! En diezelfde dag werd er nog een vuistbijl gevonden. Echt een absurd toeval." De teller staat inmiddels op bijna zeventig artefacten, vertelt Niekus. "Dat is meer dan het totaal aantal Neanderthaler-vondsten uit de rest van Drenthe." Daarom moet deze locatie ook geheim blijven. "We kunnen hier nog jaren vooruit", zegt Niekus. "Maar als de plek bekend wordt, krijg je schatzoekers en wordt het wetenschappelijk onderzoek verstoord."
Niekus (40) en Beuker (58) werken sinds begin 2007 aan het project ‘Midden-Paleolithicum Noord-Nederland’, een samenwerkingsverband van het Drents Museum en het Groninger Instituut voor Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Op de achtergrond worden ze bijgestaan door de archeologen Dick Stapert en Lykke Johansen. Doel van het project is het inventariseren en beschrijven van alle tot dusverre gevonden Neanderthaler-artefacten en het uitvoeren van veldverkenningen naar nieuwe vindplaatsen. Bijna hadden ze die laatste doelstelling opgegeven. "Dat we hier nu staan, is ook weer zo’n bizar toeval", vertelt Niekus. "Al in de jaren negentig hebben Jaap en ik dagenlang akkers afgezocht zonder iets te vinden. Begin 2007 hebben we onze zoektochten hervat toen zich een groep studenten aandiende die wat met de Oude Steentijd wilde doen. We zijn toen een paar maanden lang twee of drie dagen per week op pad geweest met een groep van een man of acht. Weer zonder resultaat. Toen we op de laatste zoekdag, medio maart, opnieuw niks vonden, zeiden we: ‘We stoppen ermee.’ We gingen naar een café om een kop koffie te drinken en pakten nog even de kaart erbij. Toen we deze akker zagen, zeiden we tegen elkaar: ‘Zullen we die toch nog even proberen?’ Na tien minuten vond ik een afslagje, na een half uur had Dick Brinkhuizen een vuistbijl in zijn handen, en weer even later vond een studente een grote kling. Dat was echt een eureka-moment."

Opnieuw opwinding op de akker! Terwijl uw verslaggever in een euforische stemming een uithoek afzoekt hopend op een vuistbijl, drommen de anderen honderd meter verderop om Jaap Beuker heen. "Ik was op weg naar de rand van de akker om wat op te halen en toen zag ik deze afslag liggen", zegt Beuker even later. Met drie afslagen en een twijfelgeval is het een productieve dag op de Neanderthaler-akker, waar sinds de eerste vondsten in maart 2007 nu enkele tientallen keren is gezocht. De akker is hard op weg om de grootste vindplaats van Neanderthaler-objecten in Noord-Nederland te worden. "Van latere perioden, zoals de tijd van de hunebedbouwers, heb je honderden van dit soort plekken", zegt Niekus. "Maar voor Neanderthalers zijn ze heel zeldzaam. Wat deze plek heel bijzonder maakt, is dat we negen vuistbijlen hebben gevonden. Krankzinnig veel en meer dan je verwacht bij een gewoon kampement. Blijkbaar was dit een aantrekkelijke plek waar ze een paar jaar achter elkaar zijn teruggekomen."
Zeker is dat overigens allerminst. Omdat de stukken aan de oppervlakte zijn gevonden, is een precieze datering vooralsnog onmogelijk. De objecten zouden ook met tussenpozen van een paar honderd jaar kunnen zijn achtergelaten door verschillende groepen Neanderthalers. Om daar meer over te kunnen zeggen, zou uitgebreid geologisch onderzoek verricht moeten worden. "De datering gebeurt nu op basis van typologische kenmerken van de vuistbijlen", zegt Niekus. "Daaruit is op te maken dat onze vindplaats óf 50.000 jaar oud is, óf 100.000 jaar. We hopen het komende jaar middels proefboringen onder meer de ouderdom exact te kunnen bepalen."
Een ding is zeker: in de Drentse bodem liggen nog enorme schatten aan informatie verborgen over Neanderthalers. "Er is hier nog voor honderden jaren archeologisch werk", beaamt Niekus. "Er zijn nog zoveel akkers die niet goed zijn onderzocht. En over wat er allemaal nog onder de weiden in de stroomdalen kan liggen, moet je maar niet te veel denken…" Eigenlijk zou er nog veel structureler en massaler gezocht moeten worden, maar de praktijk is dat de onderzoeksgelden beperkt zijn. Bovendien draait dit soort tijdrovend onderzoek op vrijwilligers en een paar bevlogen wetenschappers zoals Niekus en Beuker. "Maar het kan nog erger", zegt Niekus. "In Limburg, waar ook veel is gevonden, wordt alleen maar door amateurs gezocht, zonder onderzoeksplan. Doodzonde." Met uw verslaggever, die inmiddels Jaap Beukers standaardwerk Vuurstenen werktuigen heeft aangeschaft, is er in elk geval weer een zoeker bij.

Bovenstaande post stond zaterdag als weekendverhaal in 'Dagblad van het Noorden'. Er stond ook nog een kadertje bij, namelijk dit:

Neanderthalers
Homo neanderthalensis, zoals de wetenschappelijke naam van Neanderthalers luidt, leefde van ongeveer 250.000 tot 28.000 jaar geleden in Europa. Het verspreidingsgebied van deze mensensoort varieerde afhankelijk van de klimaatomstandigheden. Noord-Nederland deden deze mensen aan tussen 130.000 en 35.000 jaar geleden, maar niet continu. Ze zaten hier vooral in de gematigde en warmere periodes van de voorlaatste ijstijd. Als het te koud werd, trokken ze naar het Zuiden. Onze voorouders, die net als alle nu levende mensen op aarde behoorden tot de mensensoort Homo sapiens, kwamen ruim 40.000 jaar geleden vanuit Afrika naar Europa. Of de confrontatie met hen geleid heeft tot het uitsterven van de Neanderthalers is niet bekend. Wel weten we dat Neanderthalers een zeer intelligente mensensoort vormden, die waarschijnlijk net als wij over spraakvermogen beschikten. Het oude, hardnekkige beeld van de Neanderthaler als een woeste, oerkreten uitstotende holbewoner met een knots in de hand is volstrekt achterhaald.

Het is maar dat u het weet.

25 april 2011

De Drentse heidekoe

Het Drentse heideschaap kende ik wel. Maar hoe zou de Drentse heidekoe smaken? (Vanmiddag graasden ze op de heidevelden van het Heuvinger Zand bij Hooghalen.)

24 april 2011

Afzien

Dat was een merkwaardige ervaring vandaag, op de dijkjes langs de IJssel tussen Zwolle en Kampen. Opeens bedacht ik me dat ik eens een keer moest leren afzien. Dus voerde ik het tempo op en pijnigde mijn benen. Ik begon te zweten. Ik begon te hijgen. Ik reed vijf kilometer lang 37 per uur, voor de wind. Ik voelde iets in mijn benen. 'Zo meteen op de terugweg, met wind tegen, stort ik wel in', dacht ik.
Met een gemiddelde van net boven de dertig bereikte ik Kampen. Dat viel me eerlijk gezegd wat tegen. Maar eenmaal op de terugweg besloot ik dat het me nu een keer niet zou overkomen, die mentale dip. Ik schudde alle gedachtes van me af ('Waarom doe ik dit?', 'Waar heb dit nou voor nodig, wat is dit nou voor zin?') en hield de teller op minimaal 29 per uur, hoe hard de wind me ook in het gezicht blies. Ik schakelde een tandje bij en bleek zelfs nog harder te kunnen zonder van mijn fiets te vallen en te sterven!
Ik passeerde mensen die me raar aankeken. Ik keek naar de grond en ging in de beugels. Ja mensen, u leest het goed: in de beugels! 'Malen, niet opgeven, nu moet je door', dacht ik terwijl Zalk naderde, met de wind vol op de kop. Ik dacht niet een keer: 'Waarom?' Nee, ik trapte gewoon door en hijgde en zweette en meende zelfs een lichte pijn in mijn benen te voelen. Ik vloog Zwolle binnen met maar één gedachte: dat gemiddelde moet boven de dertig blijven! Het lukte. Thuis stond de teller op 38 kilometer gefietst, tegen een gemiddelde van 30,3 per uur. Merkwaardig genoeg had ik tegen de wind in net zo hard gereden als voor de wind. Hevig hijgend en zuchtend zeeg ik neer op de binnenplaats, waar mijn lieve vriendin M. een boekje zat te lezen. Ze kreeg de slappe lach. Toen ik mijn gemiddelde liet zien, moest ze nog harder lachen. Tsja.
Na tien minuten was ik alweer hersteld en zo fris als een hoentje. Geen pijn in de benen, geen vermoeidheid. 'Dat moet dus nog veel harder kunnen', luidde de conclusie. 'Als je de volgende keer nu eens iets zwaarder gaat rijden', opperde M. Klerenzooi. Denk je dat je eindelijk eens hebt afgezien en naar de kloten bent, blijkt het allemaal nog niks voor te stellen.

22 april 2011

Het is een gele wereld

Alles is geel. Op de auto ligt geel stof en op de eettafel in de tuin zijn de gele pollen neergedaald. Buiten de stad is ook alles geel (voor zover het niet groen is, natuurlijk). Paardenbloemgeel om precies te zijn. Overal bloeien ze: langs de kant van de weg, aan de bosranden en op de weilanden. Waar komen ze vandaan? En waarom zijn het er zoveel dit jaar? Omdat geel de kleur van Pasen is? Op sommige plekken zijn ze al uitgebloeid en omgevormd in pluizige, grijze bollen als voorbode van de toekomst. Over een week is het geel grijs geworden. Maar tot die tijd is het een gele wereld.

19 april 2011

Zomer


't Is zomer.

Laag Zuthem
Den Alerdinck
Heino (lang geleden)
Hondemot
Raalte
Schoonheten
Nieuw-Heeten
Okkenbroek
Lettele
Linde (ach Linde...)
Wesepe
Middel
Elshof
Elshof...
Ja, Elshof

't Is zomer, 86 kilometer lang.

09 april 2011

De Muur van Hoei

Ik heb hem donderdag vier keer beklommen zonder het te beseffen: de Muur van Hoei is geen klim maar een gebed. En ik had het kunnen weten. De weg die door Hoei omhoog leidt, heet Le Chemin des Chapelles en voortkruipend op mijn racefiets zag ik ook die zeven kapelletjes wel. Maar soms komt besef pas later.
Ik wist niet dat die kapellekensbaan de Zeven Smarten van Maria verbeelden. En ik wist niet dat Onze Lieve Vrouwe boven op me wachtte, in het kerkje op de top. De beklimming van de Muur is niet alleen een oefening in nederigheid, maar ook een daad van aanbidding en naar de hemel reiken. En dat al sinds de zeventiende eeuw, dus ver voordat de fiets werd uitgevonden.
Het begon allemaal in 1621 toen een arme vrouw uit Hoei tijdens het sprokkelen van hout op de berghelling een Mariabeeldje vond, bij de ruïne van een oud kapelletje. Ze bond het beeld op haar takkenbos, maar die bleek opeens niet meer te tillen. Ook de hulp van twee voorbijgangers mocht niet baten. Nadien kwamen velen naar de Muur, gelokt door die wonderbaarlijke Vrouw der Smarten.
De Muur is van oorsprong een pelgrimsweg voor gelovigen die in de Notre-Dame-de-la-Sarte het beeldje van Maria aanbidden. Maar de fietsers hebben de pelgrims van de Muur verdrongen. Wij, de goddelozen van de weg, laten het kerkje op de top in onwetendheid rechts liggen, opgelucht dat we het gehaald hebben zonder halverwege dood neer te vallen.
Nu begrijp ik die belachelijke percentages: je moet lijden om de verlossing te verdienen die boven wacht. De volgende keer dat ik de Muur beklim, zal ik een kaarsje branden in het kerkje.

25 maart 2011

Fietser tussen schijn en wezen


Raadsel voor fotografen: wat is (weer)schijn en wat is wezen op bovenstaand beeld? De foto is gemaakt op het dijkje van Haerst naar Hasselt, tussen de buurtschappen Genne en Holten. Er is niks aan bewerkt of gedaan (ook niet qua kleur en scherpte en dergelijke).

14 maart 2011

Een sijs op het land

Misschien had hij gewoon genoeg van dat eeuwige gevlieg. Hij zag een mooie, vers geploegde akker en koos die uit als zijn graf. Fladderend liet hij zich uit de lucht vallen en op de zwarte aarde sloot hij zijn vleugels voorgoed om zijn kleine lichaam. Zelfmoord in sijsjesland.
Of was hij gegrepen door een roofvogel? Een valk die, afgeleid door een muisje dat rennend een verlaten weg overstak, de net gesnapte sijs liet vallen, omdat het water hem in de snavel liep bij het zien van een sappiger hapje. Met gebroken nek stortte het magere sijsje neer op de akker. Zinloos geweld in vogelland.
Maar het kan natuurlijk ook een natuurlijke dood zijn geweest. Het sijsje was geland om eens lekker wat vette wormen te verorberen. Dat had hij de laatste dagen al zo vaak gedaan, nu de boeren weer hard aan het werk waren op het land. Voedsel in overvloed na de koude winter. Het vogeltje schranste dag na dag en opeens begaf zijn hartje het. Een dode sijs op het land.

09 maart 2011

Bertha 57

Daar lag ze, langs de kant van de weg. De zon scheen fel, maar de gure wind deed het zwarte plastic opwaaien. Maar wat maakte het uit, koud was ze toch al. Bertha 57 lag te wachten op de ruimer, die niet zou komen. Niet vandaag in elk geval, want het was zondag. Vier poten staken onder het plastic uit. Bij haar kop was het losgewaaid, waardoor haar neus en mond zichtbaar waren. Bertha's tong stak tussen haar tanden uit. Alsof ze lag na te hijgen van een lang, arbeidzaam leven. Hoeveel melk zou Bertha 57 hebben gegeven, al die jaren? En kwam die melk bij ons op tafel: als melk of als boter of als kaas? Hoeveel melk geeft een koe eigenlijk, in een koeienleven? Een ding is zeker: haar vlees komt niet bij ons op tafel. Ze was al wat grauw uitgeslagen, arme Bertha 57. Het leven was allang weggevloeid. Bertha 57 wordt vernietigd door een destructiebedrijf. Dat is haar trieste lot. Voor haar geen uitvaart en geen koeiengraf, waar haar dochters en zonen kunnen treuren. Arme Bertha 57. Daar lag ze, langs de kant van de weg, bij Giethmen. Rust zacht.