16 februari 2011

Lente op de Berkendijk

Het gaat om de weg.
Ik fietste vanmiddag op de Berkendijk, tussen Heino en Lemelerveld. Ik was gestopt om een reepje te eten en de lentewarmte op te nemen. De Berkendijk is zo'n zeldzame plek waar het nog echt stil is. Ik hoorde alleen een vogel fluiten en een hond blaffen.
Het gaat mis als je denkt er te zijn. Zie Into the wild, zie blonde Geert, zie alle waarheden. Alleen de weg zelf doet ertoe. Of hij nu kaarsrecht is, zoals de Berkendijk met - inderdaad - al zijn berken, of slingert, zoals even later richting de Eelerberg.
Ik herlas vanavond een passage uit de roman Thuis van Marilynne Robinson. Daarin denkt een oude dominee op zijn sterfbed terug aan zijn vroegere discussies over hoe het mysterie van de predestinatie te verenigen is met dat van de redding. 'Geen conclusies?' 'Niet een die ik me op dit moment kan herinneren. Het lijkt alsof de conclusies altijd minder interessant zijn dan de vragen. Ze blijven je niet bij, bedoel ik.'
Het gaat om de weg. En om de erwtensoep bij De Driesprong natuurlijk.

14 februari 2011

De Streif

Twee weken geleden was ik een weekend in Oostenrijk. Ik schreef er het volgende verhaal over voor 'Dagblad van het Noorden'.

Mijd de Streif
"Das bringt doch nichts", zegt een man tegen zijn zoontje, dat per se via de steile wand na de zogenaamde Mausefalle naar beneden wil. Het knulletje is hooguit vijf jaar oud – dik ingepakt, helm op de kop, korte skietjes aan de voeten. Hij wil de afgrond in en niks anders. "Het is alleen maar ijs", zegt zijn vader. "Een muur van ijs. Levensgevaarlijk." Het jongetje dramt en zeurt en duikt dan opeens over de rand. Na een paar meter glijden op de blauwe ijsmuur gaat hij onderuit en stort de diepte in.
We staan bovenaan het steilste stuk van de Streif, de beroemdste en moeilijkste World Cup-skiafdaling ter wereld, het meest spectaculaire onderdeel van de fameuze Hahnenkammrennen. Jaarlijks komen tienduizenden mensen naar het Oostenrijkse stadje Kitzbühel voor deze legendarische afdaling. De wedstrijdskiërs springen bij de Mausefalle, vlak na de start, met 100 kilometer per uur over de steile ijsplaat heen. Ook bij hen gaat het regelmatig fout. Drieëneenhalve week geleden liep de Oostenrijker Hans Grugger op deze plek, met hellingspercentages tot 85%, hersenletsel op na een zware val.
Het jongetje zeilt na zijn val over de ijsvlakte naar beneden, slaat een paar keer over de kop en komt honderdvijftig meter lager, waar het iets minder steil wordt, tot stilstand. Huilend ligt hij in de diepte. Als zijn vader naar hem toe is geglibberd, blijkt het vooral de schrik te zijn en even later skiën vader en zoon verder, op weg naar de volgende uitdaging op de Streif: de Steilhang, nog zo'n ijsmuur (zevenhonderd meter afdalen tegen 62% gemiddeld). Ondertussen gaat onder ons de ene na de andere skiër onderuit, gevolgd door een spectaculaire glijpartij. Wij hebben onze eerste afdaling van de Streif zonder val overleefd en willen dat graag zo houden. Dus skiën we een stukje over de Familien-Streif, die om de steile stukken van de wedstrijdpiste heen slingert; aangenaam breed, met goede sneeuw.
Eigenlijk is het volstrekte waanzin, die Streif. In het skigebied van Kitzbühel heb je 170 kilometer skipistes, met de prachtigste afdalingen: heerlijk brede carvepistes, zonovergote zwarte afdalingen, die net zo steil zijn als de Streif, maar dan met goede sneeuw. En je kunt er het avontuur zoeken door de diepe sneeuw, als er genoeg is gevallen. "Maar iedereen wil de Streif af vanwege de Hahnenkammrennen", zegt onze gids Katharina Szücs. "En omdat iedereen de steilste stukken schrapend en roetsjend afgaat, zijn die altijd ijzig, ook voordat de piste met water geprepareerd is voor de wedstrijd en nóg ijziger wordt. Alleen met verse sneeuw is het een mooie afdaling." Elk jaar zorgt het voor de nodige ongelukken. De steilste stukken zijn officieel gesloten, dus als je daar naar beneden gaat is het op eigen risico. "Het houdt de mensen niet tegen", zegt Szücs.
Halverwege de Streif komen we langs de Seidlalm, waar de wedstrijdskiërs een technisch moeilijke sprong voor de kiezen krijgen. Hier staat het huis waar Hansi Hinterseer opgroeide, meervoudig olympisch skikampioen en tegenwoordig een gevierd schlagerzanger. "Zijn vader Ernst wilde niks met hem te maken hebben", vertelt onze gids. "Hij dumpte Hansi bij zijn tante. Vader en zoon Hinterseer spreken nog steeds niet met elkaar." Ernst Hinterseer, 78 jaar inmiddels, en ook olympisch skikampioen, woont nog steeds in een huis onderaan de Streif. Szücs: "'s Zomers organiseert hij Streif-wandelingen, waarin hij over de geschiedenis van de afdaling vertelt. En in de winter skiet hij elke ochtend twee keer de Streif."
Onbegrijpelijk, denken wij, als we later op de dag over een prachtige carvepiste, even verderop, naar beneden richting Kirchberg razen. Jeugdsentiment van een oude man, iets anders kan het niet zijn, Ernst Hinterseers liefde voor de Streif. Hier is het volop genieten op zonovergoten pistes met schitterend uitzicht op de Kitzbüheler Alpen. Door de wijde dalen is het uitzicht veel mooier dan in de meeste skigebieden in Zwitserland en Frankrijk, waar de bergen dichter op elkaar staan. Hier is bovendien veel geïnvesteerd in het tot stand brengen van goede verbindingen tussen de pistes en dat vergroot het wintersportplezier enorm.
Zo kun bij Kirchberg zelfs oversteken naar het skigebied Wilder Kaiser-Brixental, waar 279 kilometer aan nieuwe pistes ligt te wachten. Die zijn al even fraai en zonovergoten als het gebied rond Kitzbühel, hebben we de dag daarvoor ondervonden. Iets minder luxe (geen verwarmde stoeltjesliften bijvoorbeeld) en iets meer Nederlanders, dat wel. Hier werd onlangs het tv-programma Oh Oh Tirol opgenomen. We liepen op een avond zelfs Sterretje en Jokertje tegen het lijf, maar dat was ook wel het grootste minpunt dat we konden vinden in dit riante skigebied. Toegegeven, het is in dit deel van Tirol niet hoog met toppen tot 2000 meter en als we begin januari dit gebied hadden bezocht, hadden we op witte kunstsneeuwslangen tussen groene bossen en alpenweides door geskied. Maar als er sneeuw ligt is het betoverend mooi.
Terug naar de Streif. We zijn inmiddels bijna beneden in Kitzbühel, waar de zon wél schijnt. Want ook dat is een nadeel van de Streif: je skiet er het grootste deel van de dag in de schaduw. "Hier bereiken de wedstrijdskiërs snelheden tot 140 kilometer per uur", vertelt Katharina Szücs. "Kijk, daar links is de slalompiste van de Hahnenkammrennen. Veel mooier dan de Streif, veel meer zon en geen skiër te zien." Onze gids heeft het tijdens onze afdaling niet hardop gezegd, maar alles in haar schreeuwt: "Mijd de Streif; es bringt nichts." Gelijk heeft ze.

09 februari 2011

Onrustige vogels

De vogels zijn nog niet gewend aan fietsers. Het is te vroeg in het jaar. Toen ik vanmiddag voor het eerst sinds lange tijd weer eens langs het Overijsselsch Kanaal fietste, vloog de een na de ander op uit het water. Wilde eenden, een zilverreiger, twee rotganzen, kraaien, een kuifeend, een buizerd - vanaf een paaltje -, een blauwe reiger. Maar de bangste waren de aalscholvers. Er zijn er weer meer bijgekomen, zag ik. En ze sloegen allemaal op de vlucht. Alleen een meerkoet dobberde rustig voort.

04 februari 2011

De crux

Even iets heel anders. Fietsen is er dit jaar nog maar 1 keer van gekomen, die ene zondag dat het lente was en watersnood het land bedreigde. Onderstaand een beschouwing over het boek 'De crux', die twee weken geleden in 'Dagblad van het Noorden' stond.

Op zoek naar de kern
Over de boeken van uitgeverij Buijten & Schipperheijn leest u doorgaans niet veel in deze krant. Ook niet in andere kranten trouwens. Ja, soms wordt op een uitgaanspagina wel eens een fiets- of wandelgids van de toeristische tak van de uitgeverij besproken. Maar de levensbeschouwelijke werken van Buijten & Schipperheijn worden vakkundig doodgezwegen. De auteurs verschijnen ook zelden of nooit in tv-programma’s als De Wereld Draait Door en Pauw & Witteman. Dat komt zo: het zijn orthodoxe christenen. En dat is het soort mensen bij wie niet-christenen en vrijzinnigen zich doorgaans wat ongemakkelijk voelen. EO-volk, Nederlands Dagblad-lezers, die de waarheid in pacht menen te hebben en de bijbel van kaft tot kaft letterlijk nemen.
Het is ook wel begrijpelijk. Orthodoxe geloofsopvattingen werpen vaak een barrière van onbegrip op die een zinvolle dialoog bemoeilijkt. Ik weet er alles van, ik kom zelf uit een orthodox-christelijk gezin. Op mijn zeventiende ‘viel ik uit het verhaal’, zoals de Groningse theoloog Boele P. Ytsma in zijn boek Van de kaart het proces van geloofstwijfel en -verlies zo mooi omschrijft. Net als voor Ytsma stortte ook voor mij de Kathedraal van Zeker Weten met donderend geraas in elkaar. En ja, zoals zovelen bezag ik sindsdien orthodoxe christenen met een meewarige, wat spottende blik, vol onbegrip. Hoe is het toch mogelijk dat goed opgeleide mensen in deze wetenschappelijk verlichte tijden nog geloven in dat sprookje, vroeg ik me steeds weer af.
Maar de puinhopen van de ingestorte Kathedraal van Zeker Weten heb ik nooit helemaal opgeruimd. Het zogenaamde rationalisme van veel atheïsten wantrouwde ik net zo hard als de orthodoxe betweterigheid. En waarschijnlijk vermoedde ik onbewust dat er toch nog wat waardevols onder de steenhopen lag. Sinds ik, via een beeldend kunstenaar uit Emmen, bevriend raakte met Reinier Sonneveld, een schrijver van orthodox-christelijke huize, bloeien er weer wat bloemetjes op mijn Ruïne van Zeker Weten. Ik lees nu ook af en toe boeken van uitgeverij Buijten & Schipperheijn. En tot mijn verrassing en schaamte heb ik ontdekt dat mijn beeld van de orthodoxie helemaal niet klopt. Niet alle christenen die Jezus zien als de zoon van God nemen het scheppingsverhaal uit Genesis letterlijk, om maar wat te noemen. Ook in bevindelijke en evangelische kringen vindt een levendig debat plaats. Maar omdat in de kwaliteitsmedia alleen de stereotype zwartekousenfundamentalisten aan bod komen – lekker makkelijk en overzichtelijk, immers – krijgen wij daar niet veel van mee.
Toegegeven, de grootste ruimte van de Kathedraal wordt nog steeds gevuld door de Zeker Wetenden, voor wie de bijbel het onfeilbare Woord der Waarheid is. Maar het orthodoxe bouwwerk kent ook kamertjes waar ruimte is voor twijfel en afwijkende meningen. Daar wordt openlijk gesproken en gediscussieerd over de historiciteit van de bijbelverhalen en de onzinnigheid van het zesdagen-creationisme. Hete hangijzers, een boek dat vorig jaar bij Buijten & Schipperheijn verscheen, geeft een mooi overzicht van die kritische zelfreflectie. Als tegenhanger van dat boek verscheen onlangs de bundel De crux, waarin 49 orthodox-christelijke denkers, kunstenaars en wetenschappers – onder wie ook noordelingen zoals Elly & Rikkert en Henk Helmantel – antwoord geven op de vraag: ‘Verwoord of verbeeld de kern van je geloof’. Het resultaat is een bonte verzameling getuigenissen, verhalen, gedichten en beeldende kunst.
Natuurlijk bevat De crux traditionele belijdenissen waarin het getuigen en verkondigen van de Blijde Boodschap centraal staat. Interessanter zijn echter de verhalen waarin openlijk over de eigen twijfel wordt gesproken en anders- of niet-gelovigen met respect worden bejegend; waarin atheïsme of agnosticisme als aantrekkelijke alternatieven worden beschreven en de eigen ‘keuze’ voor de orthodoxie een persoonlijk toeval lijkt te zijn geweest. Een van de mooiste bijdragen is die van schrijver en Librisprijs-winnaar Willem Jan Otten, die op latere leeftijd christen is geworden. "In mijn geval betekent dit dat ik er van overtuigd ben geraakt, op een dag, dat Jezus is geweest wat Hij zei te zijn, en wel de zoon van God", schrijft Otten. En daar begrijpt hij zelf ook nog steeds niet veel van: "Het weinige wat ik er wel van begrijp, is dat ik gedurende de bekering steeds scherper ben gaan beseffen dat ik het allemaal nooit had kunnen geloven als ik het had kunnen geloven."
Otten beschrijft op weergaloze wijze hoe hij juist door de onwaarschijnlijkheid van Jezus’ levensverhaal tot geloof is gekomen. Toch stuit je als niet-orthodoxe lezer ook bij zijn relaas op die barrière: als je zelf dat bekeringsproces niet kent of juist de omgekeerde weg hebt bewandeld door ‘uit het verhaal te vallen’, dan overtuigt het toch niet. Geloven, tot bekering komen, Jezus zien als de zoon van God, die uit de dood is opgestaan – het is geen rationeel proces en het is ook geen keuze, zoals sommige auteurs in deze bundel doen voorkomen. Het is iets dat je overkomt, waarbij persoonlijke omstandigheden vaak een doorslaggevende rol lijken te spelen. Het prachtige verhaal dat de Drentse zangeres en schrijfster Elly Nieman vertelt over haar bekeringsproces is daar een goed voorbeeld van.
Waarom zou je als anders-gelovige, agnost of atheïst dit soort boeken gaan lezen? Nou, bijvoorbeeld om kennis te nemen van de moderne verschijningsvormen van de orthodoxie, die veel diverser zijn dan vaak wordt voorgesteld. Of om je weer eens te realiseren dat het begrip ’God’ veel meer inhoudt dan die almachtige man met grijze baard op een wolk, die wij er vaak van maken. Of anders vanwege de radicale maatschappijkritiek die de navolging van Jezus voor sommige orthodoxe denkers met zich meebrengt. Zoals bij Reinier Sonneveld, die in zijn verhaal de bevrijding uit de slavernij centraal stelt. In een eerder werk, Het goede leven, behandelde hij dat thema in uitgebreidere vorm. Voor mij was het lezen van juist dat boek een eyeopener van jewelste uit orthodoxe hoek, omdat het vlijmscherp en confronterend onze impliciete, verborgen medeplichtigheid aan allerlei vormen van maatschappelijk onrecht en uitbuiting blootlegt.
Een andere reden om De crux eens ter hand te nemen, zijn de tekeningen, schilderijen, beelden en gedichten die in de bundel zijn opgenomen. Daarbij blijkt de geloofsbarrière opeens veel minder groot te zijn. De werken waarmee kunstenaars als Janpeter Muilwijk, Paul van Dongen, Henk Helmantel en Willem Zijlstra de kern van hun geloof verbeelden, maken het mysterie van het geloof voor mij veel beter invoelbaar dan de getuigenisverhalen. Hetzelfde geldt voor de gedichten van Rikkert Zuiderveld en de onlangs overleden Guillaume van der Graft. Dat doet vermoeden dat kunst misschien wel het meest geschikte medium is om over God te praten.
Je kunt je ook afvragen hoe onoverkomelijk de bekeringsbarrière werkelijk is. Doen wij niet-gelovigen er niet te moeilijk over omdat het zo lekker makkelijk is om mensen in een bepaald hokje te zetten? Dan hoef je verder ook niet naar ze om te kijken. Terwijl het juist in deze tijden van polarisatie helemaal geen kwaad kan om te proberen met elkaar in gesprek te blijven, ongeacht afkomst of overtuiging. Het zou in elk geval geen reden mogen zijn om dit soort boeken dood te zwijgen, zoals nu nog veel te vaak gebeurt. Want waarom besteden we dan wel zoveel aandacht aan de getuigenisliteratuur uit de orthodox- atheïstische hoek? Aan de boeken van mensen die de ratio als de Nieuwe Jezus vereren, zoals Richard Dawkins en zijn volgers? Ook de Studeerkamer van Zeker Weten produceert vooral verhalen waar je uit kunt vallen.

05 januari 2011

IJspraat

"Er wordt steeds minder geschaatst. De jongeren tussen de 18 en 35 laten het afweten. Zonde. Alleen de oude mannen staan nog op het ijs."
"Met toertochten zie je ze nog wel, maar verder niet. Hoe oud ben jij nu?"
"Zeventig, en het gaat steeds minder. Sinds ik vorig jaar ben gevallen in Deventer durf ik niet zo goed meer."
"Met Arie is het helemaal gebeurd. 'Ik ben het gevoel kwijt', zei ie. 'Ik sta te wankelen op mijn schaatsen. Mijn slag is weg, de coördinatie, alles. En dan moet je bedenken wat een beest het was, vroeger.' Triest, maar het gaat ons allemaal overkomen."
"Bij mij gaat het ook achteruit. Die jongen hier kan ik op de ijsbaan nog wel aan, maar op natuurijs... De angst hè, het is de angst. Dries van Wijhe zie je ook nooit meer op het ijs. Die was hier altijd. Ik ken ze allemaal, die hier schaatsten. Allemaal oude mannen. Van Oldebroek, Noordeinde, Elburg... Maar hoeveel staan er nu op het ijs, vandaag? Nog geen tien! En het worden er steeds minder."

"Is hier maandag en dinsdag ook nog geschaatst!? Potverdikke! En ik ben gisteren alweer wezen skeeleren."
"Ik zag net ook nog iemand over de dijk skeeleren. Niet nodig. Ik heb hier zondag ook nog geschaatst. Helemaal alleen. En het ijs was nog beter dan vandaag."
"Allemachtig! En ik woon hier op het Noorden... Had me een seintje gegeven!"
"Ik heb nog een berichtje gezet op internet."
"Ik had het kunnen weten. Ik woon hier nu dertig jaar. Drie nachten min zeven en je kunt het ijs op. En je moet je best doen om te verdrinken. Bij het sluisje moet je oppassen, richting het witte huisje. Daar ging er dit voorjaar nog eentje doorheen tot aan zijn borst."
"En bij de S-bocht zit een moddergat. Daar moet je ook oppassen."
"Ja, en vlak onder het riet trap je er soms doorheen. Sta je tot je knieën in de modder. Je kunt vaak beter wat verder van de kant schaatsten. Daar is het betrouwbaarder."
"Maar wat is het mooi hè..."
"Schitterend, zo tussen het riet. Het ijs is op dit stukje alleen wel wat minder geworden sinds die eilandjes er zijn aangelegd, midden jaren negentig. Het zand komt soms doorheen. En de stroming is ook totaal veranderd."

"Wanneer was dat nou, toen wij elkaar hier voor het eerst zagen? Drie weken terug?"
"Vier volgens mij. Toen was het ijs een stuk minder."
"Ja, toen haalde ik nog een natte voet, tussen het riet. Daar schrok ik wel van."
"Kan ik me voorstellen!"
"Het ijs is best vandaag, een meevaller. Het is veel harder dan gisteren en eergisteren."
"Ja, en het weer ook. Prachtig toch? Zon, niet te koud."
"Wel veel wind."
"'t Is de laatste dag, helaas. De dooi gaat nu echt doorzetten, zeggen ze."
"Ach, het is pas januari. En we hebben al vijf weken kunnen schaatsen!"
"Ik ga mijn spullen opzoeken. Bijna vier uur geschaatst. Ik ben moe."
"Nou, tot de volgende keer."
"Hopelijk zien we elkaar deze winter nog eens!"

02 januari 2011

Alweer het Drontermeer

Ja, het kon nog prima. Het ijs was soms wat bobbelig, soms wat sneeuwig, soms wat strepig, soms wat craquelé, soms wat bellerig, soms wat scheurig, maar op grote stukken ook zwart en glad. En later op de dag zorgde een minieme hoeveelheid smeltwater voor een snelsmerend olielaagje op het keiharde ijs. Het was fantastisch, helemaal alleen op de weidse vlakten van het Drontermeer.
Eigenlijk was die tweeëneenhalf uur heen en weer schaatsen tussen Noordeinde en Elburg vandaag veel mooier dan al die toertochten van de laatste weken bij elkaar. Vooral omdat ik moederziel alleen was. Ik heb het hier al vaker opgemerkt: ik ben een eenzame fietser en dus ook een eenzame schaatser. Ik weet ook niet waarom.

30 december 2010

Dwarsgracht Natuur Tocht

Een jaar geleden was ik een paar dagen in India. In Delhi en Agra, om precies te zijn. Het was erg mistig en 12 graden, de koudste januaridagen sinds mensenheugenis aldaar. De Indiërs droegen vele lagen kleding, mutsen, sjalen en leden verschrikkelijk onder de kou. In de straten van Delhi, waar arme sloebers langs de kant van de weg onder tentzijl sliepen bij zelfgestookte vuurtjes, waren zelfs mensen overleden door de koude, meldde The Times of India. Let wel: we hebben het hier over +12 graden Celsius. Ook kou is relatief; het is maar wat je gewend bent.
Ik moest vandaag weer aan India denken, toen ik door de mist schaatste op de Beulakerwijde, die ik in eerste instantie niet eens als meer herkende. Het was erg mistig, net als toen, in India. Het beeld van dat land dat ik sinds vorig jaar in mijn hoofd meedraag, klopt van geen kant, zo ervoer ik weer eens. Niet alleen veel te beperkt, maar ook domweg veel te mistig en veel te koud. Maar daarnaast dacht ik, zoals wel vaker deze weken op het ijs: wat zouden de mensen in Agra en Delhi denken van al die Nederlanders die massaal het ijs op gaan om uren lang te schaatsen in de kou en de mist?

Vanuit hun perspectief bezien, zijn wij waarschijnlijk volslagen idioten. Gezegende, buitengewoon verwende dwazen, die de tijd, de middelen en de energie hebben om de kou te trotseren en die niet dag in dag uit hoeven te ploeteren om te overleven. De uitdagingen die normale mensen, zoals zij, dagelijks moeten aangaan om hun kinderen en zichzelf van voedsel en een leefbaar leven te voorzien, zoeken wij in verspillende schaats- of fietstochtjes zonder enige urgentie. En dat blazen we dan ook nog bij voorkeur op tot mythische prestaties, terwijl het niks meer is dan aangenaam vermaak dat hooguit leidt tot stramme spieren en een algeheel gevoel van rozigheid.
Maar afgezien daarvan: het was weer prachtig vandaag!

(Naast tweeëneenhalf rondje Dwarsgracht Natuur Tocht, ben ik ook de weg nog even overgestoken naar de Belterwijde voor de Belterwiedetocht. Ruim tachtig kilometer geschaatst vandaag, waarvan de laatste vijftien kilometer met enorme last van mijn rug. Het betere lijden, zeg maar. Gelukkig is de Noorder Rondritten nog ver weg...)

29 december 2010

Tjeukemeertoertocht

Het was druk, vanmiddag op het Tjeukemeer. En het licht boorde een gat in de wolken.

24 december 2010

Weerribbentocht

Erg druk. Matig ijs. Veel klunen. Smalle slootjes. Harde wind. Prachtige omgeving.

21 december 2010

Blokzijler Merentocht


"Mooi ijs?"
"Prachtig! Strak zwart. En bijna geen wind."
"Maar je moet wel oppassen voor de scheuren."
"Nou! D'r zitten beste scheuren in!"
"Ik heb steeds vlak voor me gekeken, want er gingen er flink onderuit, vooral bij de stempelposten."
"Oh?"
"Komen ze daar aanzeilen, zien ze de scheuren niet. Een oude man voor me moest naar de ehbo."
"Ernstig?"
"Neuh. Hij kon weer verder."


"Hoeveel kilometer is het rondje nou?"
"Twintig, zeggen ze."
"Maar het is precies hetzelfde rondje als in februari! En toen was het vijftien."
"Ik weet het niet. Ik heb niet op tijd gereden."
"Ik doe driekwartier over een rondje. En ik schaats meestal 23, 24 per uur."
"Dan is het dus 18 kilometer, ongeveer."
"Ik ben al oud en rij mijn eigen tempo. Als je aanhaakt bij een te snel groepje, rij je je over de kop."
"Sprinten kan niet, maar voor honderd kilometer draai ik mijn hand niet om."
"Ja, ik ben ook een diesel."


"Wat een plaatje, niet?"
"Prachtig mooi! Maar het is wel koud."
"Ja, als het niet koud is dan heb je geen ijs."
"En er staat bijna geen wind."
"Nu maar wachten op de Tocht, hè?"
"Het mag wel weer een keer."
"Ik heb hem tien keer gereden, van mij hoeft het niet."
"Eerst maar eens de Noorderrondritten. Ik heb een startbewijs voor de 150."
"Dat is me te ver, vanuit Noord-Holland."
"Is dit niet ver dan?"
"Uurtje, over de dijk."
"Ben je niet eens komen schaatsen dan?"


"Morgen zijn er vier toertochten!"
"Waar dan?"
"Weet ik niet. Ik kreeg net een sms'je."
"Ik hoop bij Belt-Schutsloot."
"Nou, misschien zie ik je daar weer."

20 december 2010

De stilte van de winter

Ik zat langs de kant van een bospad op de sneeuwhopen die in de dagen ervoor waren opgeworpen. Op de oude sporen was alweer 20 centimeter verse sneeuw gevallen. Mijn voetstappen waren de eerste in dit bos aan de andere kant van het skigebied van Altastenberg, in het Sauerland. Om me heen stonden overal dennenstammen met sneeuw aan hun bast gehecht aan de kant van waar de wind kwam. Het was windstil. En het was geluidstil. De vogels hadden het bos verlaten. Een keer hoorde ik in de verte was het gekras van een kraai, maar verder niks. Het was zo stil dat ik het bloed in mijn oren hoorde stromen. Door de witte lucht boven de bomen was ook lichtstil: behalve de dennenbast was alles wit. De stilte, de witte wereld en de stammen - het was een wonderlijke, bijna bovennatuurlijke ervaring. Alsof deze wereld niet echt was en tegelijk echter dan echt. De stilte van de winter is een trip.

15 december 2010

Verblind door het licht

Drontermeer, vanmiddag rond een uur of twee, tussen Noordeinde en Elburg. Ja, het kon nog, al waren er maar vijf mensen op het ijs. Twee van hen hadden gisteren ook geschaatst. "Twee nachten -5 en je kunt hier het ijs op", zei de een. "Gisteren zag ik hier een zeearend", zei de ander. En voort ging het weer, richting Elburg. Het was de vierde schaatsdag, en ik werd verblind door het licht.

08 december 2010

De lokroep van het ijs

Eigenlijk moest ik vandaag Erasmus' Lof der Zotheid uitlezen. Waarom doet hier even niet terzake, maar het kwam er niet van: de lokroep van het ijs was te groot. Wat wel weer toepasselijk was, want ook die valt natuurlijk onder de dwaasheden waar Erasmus begin zestiende eeuw de loftrompet over stak. Ik vermoedde dat er nog wel geschaatst kon worden op het Drontermeer, maar eenmaal in Noordeinde aangekomen was er niemand te zien. Als een volleerde zot ging ik toch het ijs op en het was fantastisch! De sneeuw was weg en het ijs was veel beter dan vorige week. Stroken spiegelglad, hard zwart ijs, afgewisseld met richels sneeuwijs, ribbelijs en opgevroren, kristallijne bovenlaagjes (zie foto). Onderweg kwam ik drie mensen tegen: een man, die later een natte enkel haalde door tussen het riet door het ijs te zakken, en twee vrouwen van een jaar of viijftig die doodgemoedereerd helemaal richting Kampen waren geweest. 'Daar moet je over ijsschotsen, dus het is niet helemaal vertrouwd', vertelden ze, alvorens keuvelend terug naar Elburg te schaatsen. Daar, op een ijsbaantje, waren meer mensen aan het schaatsen op een schitterende, zwarte vlakte. Toen ik terug ging naar Noordeinde kwam ik de man weer tegen die door het ijs was gezakt. Rustig draaide hij zijn rondjes, alsof hij geen natte voet en natte jas had. Bij mijn opstapplaats was ik nog steeds de enige. Dankbaar prees ik de Zotheid die me naar het ijs had gedreven.

(PS De zwaan was verdwenen. Die is dus bij iemand in de pan beland.)

03 december 2010

Gefrituurd wellicht?

Gefrituurde zwanenpoot, zou dat lekker zijn? Of gebakken zwanenvleugels uit de oven? Zwanenleverpaté? Zwanensoep met veren? Zwanenfilet? Gevulde zwanennek? Lauwwarme zwanenborst met een gefruit uitje en vers geplukt eekhoorntjesbrood? Uitgebakken zwanentong? Een zacht gegaard zwanenhart met reepjes zwanenlever?

Zwanenleed

Even verderop is een wak waar veren uitsteken. Daar vroor ze vast. Een sleepspoor slingert zich een paar meter over het ijs van het Drontermeer, ergens tussen Noordeinde en Elburg. Aan het eind ervan ligt de moegestreden zwaan. Haar nek heeft ze sierlijk neergevlijd op de zachte sneeuw. De vleugels geknakt, het leven gebroken. Hoe smaakt zwaan eigenlijk?

Ja, er kan weer geschaatst worden!

01 december 2010

Op zoek naar ijs

Waar is het misgegaan? Want ergens klopt er iets natuurlijk heel erg niet: bij een gevoelstemperatuur van -23,4 graden Celsius op zoek gaan naar een stukje ijs om te schaatsen. Die is krankzinnig geworden, hoorde ik de vlieg denken, die de schuur in vluchtte toen ik mijn mountainbike van de haak tilde. Over mijn schaatspak had ik mijn winterwielerbroek aangetrokken en over mijn winterwielerjack mijn ski-jas; over mijn fietshandschoenen droeg ik leren handschoenen en met twee mutsen op mijn hoofd was ik er klaar voor (alleen had ik natuurlijk ook nog extra zomerschoenhoezen onder mijn winterhoezen moeten doen). Maar goed, koud kreeg ik het toch met windkracht zes tegen. Op naar natuurgebied Tichelgaten, tussen Herxen en Windesheim, want daar, zo tipte mede-schaatsgek X., zou wel eens geschaatst kunnen worden. Het Drontermeer, waar maandag - voor de sneeuw - al iemand schaatsend was gesignaleerd, was de moeite niet waard, sms'te hij.
Onderweg kwamen de vragen. Waar komt dat belachelijke verlangen om met dit weer te gaan schaatsen vandaan? Waarom dertig kilometer kou lijden om heel misschien een paar honderd meter op twee ijzers je leven te kunnen wagen op volstrekt onbetrouwbaar ijs? Welke oerdrift doet zich hier gelden, diep verborgen onder en ernstig geperverteerd door onze culturele beschavingslaagjes? Wat is de 'biologische waarde' van dit geploeter over beijsde wegen? (Ik lees momenteel de nieuwe Damasio, vandaar). Ik vermoed dat het met het jachtinstinct te maken heeft. En een terugverlangen naar de echte natuurbeleving, die sinds de opkomst van de landbouw langzaam maar zeker verloren is gegaan. Hoe dan ook, eenmaal aangekomen bij Tichelgaten bleek het water natuurlijk nog maar deels dicht te liggen en begon het met sneeuw bedekte ijs na enkele voorzichtige stappen dermate fragiel te kraken, dat ik snel weer de kant op vluchtte. "Ik hol je d'r niet uut", zei een lokale passant, die me vanuit een auto hoofschuddend gadesloeg. "Veels te kold."
Eenmaal tot bezinning gekomen, fietste ik door de kou terug naar huis. Ik hield me warm met het vooruitzicht lekker op de bank verder te kunnen lezen in Het zelf wordt zich bewust van Antonio Damasio, over de evolutie van het bewustzijn. Misschien dat hij kan verklaren waarom ik dit soort belachelijke tochtjes onderneem.

28 november 2010

Vrieskou

Ja, het was koud vandaag. Maar het was ook een van de mooiste dagen van het jaar. Het scherpe licht, de berijpte velden, de zondagse rust, de kale bomen, de hard bevroren landwegen, de witgemutste paddestoelen, het krakende herfstblad in het Beerzer bos, de ijskristallen op de dennenaalden aan de schaduwkant van de Lemelerberg, het verlaten bos van Vilsteren waar net als in al die andere bossen onbegrijpelijkerwijs geen fietser te bekennen was. En niet te vergeten de biologische kippensoep in de onvolprezen herberg De Klomp waar de voeten weer konden ontdooien, de boerin die op een van de dwaalwegen van Hessum haar eigen adem bewonderde, het late eekhoorntjesbrood van Mataram, ruw in de groei gestuit door de novembervorst en grof geplukt door de passerende fietser, de vriendelijke, praatgrage boswachter in De Horte, waar ik altijd weer verdwaal en altijd weer op dezelfde doodlopende weg, voor hetzelfde hek tot stilstand kom. En de koperen ploert die slechts zelden echt zo'n koperen ploert is als hij vandaag koperen ploertig aan de hemel stond, zonder noemenswaardige warmte af te geven, daarboven in het heiige blauw, de ploert. Maar die dit alles dus wel mogelijk maakt. Dank.

24 november 2010

Het God Instinct

Gisteravond woonde ik in Groningen een lezing bij van evolutionair psycholoog Jesse Bering. Het zou gaan over 'The Belief Instinct', maar dat bleek al snel 'The God Instinct' te zijn, zoals de titel van Berings eerste, net verschenen boek luidt. Beetje slordig van Studium Generale, een overigens niet genoeg te prijzen instituut. Of lag het aan Bering? God, geloof, religie - voor de Amerikaan is het een pot nat, zo bleek al snel. Allemaal nonsens en uitvindingen van de menselijke geest, die nu eenmaal erg vatbaar is voor illusies.
Zijn lezing kwam ongeveer hier op neer: doordat wij over 'theory of mind' beschikken (oftewel: bewust cognitief kunnen handelen) kennen wij niet alleen andere mensen een 'theory of mind' toe, maar ook dieren, paddestoelen en niet-levende objecten. En zien we in allerlei natuurverschijnselen symbolen en vormen. Als we niet oppassen kennen we ze nog 'psychological states' toe ook. Daarom denken u en ik dat de wolk op de foto hierboven net een vogel is en die paddestoel hieronder iets anders.

Het 'teleo-functional reasoning' (doel-functioneel denken) dat hier een voortvloeisel van is, is in de loop van de evolutie een zeer succesvolle aanpassing geweest. Iets te succesvol zelfs want het heeft ons met zinloze, grote vragen opgezadeld waar geen antwoord op bestaat, zoals 'Waartoe zijn wij op aarde?' en 'Wat gebeurt er met me na de dood?' (merkwaardig genoeg vond Bering ook de vraag 'Wat moet ik nu doen?' een grote). Enfin, Berings betoog kwam erop neer dat we doelen zoeken die er niet zijn en achteraf (volgens de doel-logica) zin toekennen aan willekeurige gebeurtenissen. En gelukkig, "atheïstst too suffer the illusion of a purposeful life", zei Bering. Het doelgerichte denken zit nu eenmaal evolutionair diep in ons ingebakken.
Bering lardeerde zijn betoog met veel onderzoeksresultaten en aardige voorbeelden. Autisten en andere sociaal-cognitief ongezonde mensen, zo is bijvoorbeeld gebleken, hebben veel minder last van het illusoire doeldenken. Het is een functie die het groepsverband dient en daaruit is voortgekomen. Wat heeft dit alles met God en/of religie te maken? Welnu, Bering heeft een nogal beperkt godsbeeld dat neerkomt op de persoonlijke God met grijze baard, die vanuit de hemel alles bestiert. Die God (of Allah) bepaalt onze levensloop en onze levensdoelen, geeft zin aan ons bestaan en stuurt af en toe een tsunami op ons af om ons een lesje te leren (teleo-functional reasoning in action). Toegegeven, dat is een nogal overheersend godsbeeld, vandaag de dag, maar het is natuurlijk niet het hele verhaal.
Toen een meisje na afloop Bering bedankte voor zijn lezing en zei dat ze nu gelukkig niet meer bang was dat er later bij de hemelpoort een God over haar daden zou oordelen, meende ik toch een kleine tegenwerping te moeten maken. Helaas ben ik verbaal niet zo sterk in het Engels, dus mijn vraag - 'denkt u niet dat godsbesef en de behoefte aan religie ook te maken zou kunnen hebben met de beperktheid van de cognitieve vermogens van de mens?' - kwam niet geheel binnen bij Bering.
Ik denk dat Bering op het goede spoor zit met zijn evolutionaire verklaring van het teleo-functionele denken, maar volgens mij gooit hij iets te veel weg door God en religieuze gevoelens alleen als uitvloeisels daarvan te zien. Misschien komt de religieuze gevoeligheid van mensen daarnaast ook wel voort uit het (al dan niet onbewuste) besef dat we iets kwijt zijn geraakt, toen we op een gegeven moment symbolen gingen gebruiken. Of uit het (al dan niet onbewuste) besef dat we als mensen maar heel beperkt zijn in ons waarnemingsvermogen en talloos veel zaken ons ontgaan en altijd zullen blijven ontgaan omdat onze zintuigen nu eenmaal op de behoeften van onze soort zijn toegesneden.
Daarnaast trapt Bering, net als heel veel andere wetenschappers, in de val van het superrationalisme: 'als iets niet rationeel te verklaren is', denken de superrationelen, 'is het een illusie'. Dat is een merkwaardige geestesgesteldheid die ook nog eens anti-evolutionair is. Rationeel denken is een heel recente cognitieve strategie, zoals bijvoorbeeld Merlin Donald (een andere cognitieve psycholoog) in zijn prachtboek A Mind So Rare betoogt. Voor ons menszijn zijn oudere cognitieve strategieën, vooral de pre-talige, veel belangrijker. Rationeel denken is een heel recent neveneffect van de 'enculturation' (wie geeft me een goed Nederlands woord?), die twee miljoen jaar geleden begon bij Homo erectus. Een neveneffect dat voor de mens waanzinnig succesvol is gebleken, maar toch: een neveneffect.
Oftewel: dat iets rationeel onzinnig of illusoir is, wil nog niet zeggen dat het ook echt onzinnig of illusoir is.

16 november 2010

Mexicaanse griep

Zoals bekend ben ik geen columnist meer bij het Dagblad van het Noorden. 't Is niet anders. En natuurlijk is het uitermate kinderachtig om je gelijk te halen, zeker voor iemand die altijd beweert dat alle uitspraken over de toekomst onzin zijn. Maar toch: vorig jaar, op 18 augustus, schreef ik deze column, getiteld 'Mexicaanse griep':

Het is zo langzamerhand wel te hopen dat die Mexicaanse griep ook daadwerkelijk flink gaat toeslaan. Zo niet, dan krijgen we volgend jaar ongetwijfeld ook nog een parlementair onderzoek naar de honderden miljoenen die in de farmaceutische industrie zijn gepompt onder het mom van voorzorgsmaatregelen. Ik word zo langzamerhand een beetje moe van die griep (nee, geen zorgen: nog geen koorts of spierpijn). Vooralsnog is het niet meer dan een zomerhype. Maar wat niet is kan nog komen, natuurlijk. Dat is doorgaans het probleem met de toekomst; die laat zich nu eenmaal niet voorspellen. Dat blijkt niet alleen uit de steeds veranderende inschattingen rond de risico’s van de Mexicaanse griep. De wekelijks wisselende voorspellingen over wat de economische crisis ons brengen moge, vormen momenteel de meest lichtende voorbeelden van de onzinnigheid van het koffiedik kijken.
Verbazingwekkend genoeg blijven we al die profetieën steeds maar weer uiterst serieus nemen, ook al blijken een week later de feiten toch weer net even anders te liggen. Volgens mij komt dat omdat we tegenwoordig, in onze hoogontwikkelde westerse wereld, niet meer willen accepteren dat we niet overal grip op hebben. Terwijl we in vroeger tijden ons lot in handen legden van de voorzienigheid – al dan niet met een hoofdletter – is nu de maakbaarheidsgedachte de dominante levenshouding. We denken alles te kunnen rationaliseren, oplossen en voorspellen, of het nu om de griep, de economie of het klimaat gaat. Ook al blijkt dat keer op keer een illusie en stuiten we steeds weer op onze beperktheid.
Misschien was het idee van de V/voorzienigheid toch zo gek nog niet. Het is in elk geval een stuk goedkoper en bespaart ons een hoop onzin.


Kijk naar Nieuwsuur van vanavond en trek uw conclusies. Wijze woorden, al zeg ik het zelf (wie zegt het anders).
Als troost een foto van een apparaat waarvan ik wel met zekerheid (nou ja, kernrampen e.d. voorbehouden) kan voorspellen dat hij er volgend jaar ook weer is. En die dan samen met vele soortgenoten in mijn koekenpan zal belanden: het onvolprezen eekhoorntjesbrood, de lekkerste paddestoel op aarde!

10 november 2010

Schemering

Dit zie je dus niet als je in de stad woont en nooit op de fiets stapt.

En dit ook niet.

Of dit.

03 november 2010

Tot de hemel in je hoofd zit

Opeens waren ze daar. Ik was de woorden al een tijdje stil aan het zingen, voordat ik het me bewust werd. "Wachten tot de hemel in je hoofd zit." Ik fietste tussen Emmen en Herfte en zocht tevergeefs de berm af naar eekhoorntjesbrood. Het is weer voorbij, die mooie paddestoelentijd. En weer hoorde ik mezelf stil zingen: "Wachten tot de hemel in je hoofd zit." Was ik gepasseerd door een auto die de radio aan had staan? Wanneer waren ze gekomen? 'Mooie tekst', dacht ik nog en ik keek naar boven waar de zon amechtige pogingen deed door cirrus-altostratuscombinatie heen te stralen. 'Die zit er alvast in mijn kop.' Het geheugen doet rare dingen. "De hemel in je hoofd", is een zinsnede uit een liedje van Stef Bos. Maar dat liedje ken ik dus niet. Ik hou ook helemaal niet van Stef Bos. Bovendien is "wachten tot de hemel in je hoofd zit" nog wel iets anders. 'Wachten op genade', dat betekent het, dacht ik toen ik herkauwend op die vreemde zin Zwolle naderde. Niet actief streven naar genade, maar rustig wachten tot het er is. Of zoiets. Maar waar komen die woorden vandaan?

27 oktober 2010

Bittere pied-de-mouton

Ruim twee ons schapenvoetjes had ik gevonden. Mountainbiken is tegenwoordig verworden tot paddestoelen zoeken. Nog geen veertig kilometer gefietst in vier uur. 't Is niet anders. Ook een half pond grote sponszwam gescoord, die helemaal niet zo zeldzaam is als in de gidsen staat. Plus nog wat boleten. Dat zou smullen worden. Was het idee. Maar helaas. De pied-de-mouton was te oud en dus scherpbitter. En twee boleten waren wormstekig. Bleef de sponszwam over. In principe de lekkerste. Schiet bij de bereiding de peperbus uit. Zit je dan met brandende lippen. Gelukkig is er bokbier.

23 oktober 2010

Veluwe Classic

Groen en grauw en geel en goud -
de geur van vallend blad

Regen valt omhoog
door dunne rubber banden

De smaak van knarsend zand
tussen je tanden

Paddestoelen, dikke poten,
lekke band

En natte, koude kloten

09 oktober 2010

Biefstuk met Grote sponszwam

Toen ik vanmiddag twee brokken Grote sponszwam in de achterzak van mijn fietsjasje had gedaan dacht ik: Wat zijn we eigenlijk ver afgedwaald van onze evolutionaire wortels. Waar is de jager/verzamelaar in ons gebleven? Het is nog maar 10.000 jaar geleden dat we overstapten op de landbouw en in die relatief korte periode is ongelooflijk veel kennis verloren gegaan. Wie weet nu nog welke paddestoelen eetbaar zijn en welke niet? Heel weinig mensen, werd me vanmiddag duidelijk. Want de Grote sponszwam, waar ik een paar stukken vanaf scheurde, stond gewoon langs de weg in Hattem. We betalen zonder problemen twintig euro voor bijzondere paddestoelen bij de delicatessenzaak, terwijl er momenteel in de Veluwse bossen voor tienduizenden euro's aan eetbare paddestoelen dreigen weg te rotten. Wat een waanzin! En voor bramen en andere vruchten des lands geldt hetzelfde: slechts een enkeling plukt ze, alle anderen betalen er geld voor in de supermarkt.

Ik ben zelf net zo'n idioot trouwens: wel een beetje die paddestoelen fotograferen, maar ze plukken ho maar. We zijn doodsbang dat we exemplaren oogsten van die paar giftige soorten. Nou kun je je met de Grote sponszwam moeilijk vergissen, dus die gok durfde ik wel aan. En toch dacht ik in de bioscoop bij Io sono l'amore (gaat die vooral zien als u een dutje wilt doen: de slechtste Italiaanse speelfilm ooit gemaakt; ondraaglijk saai vanaf de eerste beelden van een besneeuwd Milaan, de meest melodramatische seksscène ooit (filmisch 'gehijg' à la Lodewijk van Deyssel); pathetische filmmuziek van John Adams en een verhaal van niks): 'Wat voel ik daar in mijn maag? Was ie toch giftig?' Nee dus, hij was geweldig lekker! Ik had ongeveer 50 gram geplukt en bakte dat vanavond in roomboter samen met een enkel uitje en een biologische biefstuk. Pasta erbij, Parmezaanse kaas erover en smullen maar.

(De paddestoel op de onderste foto is een Porseleinzwam. Die is ook eetbaar. Dat kleine paddestoeltje rechtsboven, daar ben ik nog niet uit.)

08 oktober 2010

De mooiste van alle

Waarom zoeken we altijd naar nieuwe wegen? Wat is er mis met de bekende? Dat vroeg ik me af toen ik vanmorgen tussen Kalle en Tinholt fietste, in die Heimat. Ik denk niet dat ik er ooit nog eens zal komen. Niet omdat het zo lelijk was, maar omdat de lucht grijswit was en ik me had verheugd op zon, zoals de weermannen hadden beloofd. De zon kwam niet, mijn stemming daalde en ik dacht: Wat doe ik hier, zo ver van huis? Alsof je als fietser, hoe fanatiek ook, ooit meer dan een minieme fractie van alle wegen op aarde kunt befietsen. Alsof er niet miljarden mensen zijn die nooit ook maar een paadje dat ik ooit befietst heb of nog zal befietsen, zullen begaan. Kun je dan nog van 'ontdekken' spreken? Wat stelt het allemaal voor? Heeft het wel wat te betekenen, dat zoeken naar niets? Waar doe je het voor? Waarom niet gewoon de bekende weg begaan?

Nou was Tinholt wel een speciaal doel vandaag. De arme vrouw van mijn hardloper heette Tinholt en haar familie moet dus uit deze streek zijn gekomen. Mits er niet nog een Tinholt is, wat zeker niet is uit te sluiten. Ik kwam vandaag namelijk ook door een ander Wilsum en zag op mijn kaart zelfs een Overijssels Oldambt. Tinholt bestond uit drie huizen, naast een bloeiend koolzaadveld (tenminste, ik denk dat het koolzaad was; het kan ook mosterd zijn geweest). Niet echt iets om voor naar Duitsland te fietsen dus. En in de witgrijze mist kon de rest van het landschap ook niet bijzonder bekoren, uitgezonderd de prachtige Wilsumer Berge en de glooiende omgeving van Itterbeck.
Maar goed, ik had me verheugd op Duitse bossen vol paddestoelen die zich koesterden in de zon met om het uur een aanlokkelijk terrasje waar ik Kaffee mit Kuchen kon drinken. Nou, ook geen terras gezien vandaag in Duitsland. Twee verlepte cafetaria kwam ik tegen op de verlaten wegen tussen Laar, Echteler, Schotheck, Haftenkamp, Egge en Striepe. Er woonden wel degelijk mensen, te zien aan de huizen die er stonden, maar ze lieten zich niet zien. En koffie maken voor zwerver doen ze dus ook niet.
Nog iets dat tegenviel: bijna geen paddestoelen gezien in Duitsland. Die vertoonden zich pas weer toen ik op bekende wegen was aangekomen. In het Rechterense veld fleurde mijn humeur weer op en kwam het toch nog allemaal goed. Op acht kilometer van huis, vlak naast het fietspad dat ik al honderden keren heb befietst, zag ik opeens de mooiste van alle: Grote oranje bekerzwammen. Ik had ze nog nooit gezien, maar ze schijnen algemeen voor te komen. Intens oranje, dat kon ik wel gebruiken op een dag als vandaag. Later, bij Mataram, zag ik ook die paarse knopjes weer (zie paar postjes hieronder). Ze hadden zich open geplooid en inderdaad: het zijn Amathistzwammen. Mooi.

05 oktober 2010

'Zeer smakelijk'

Helaas, dat wist ik dus niet. "Eetbaar en zeer smakelijk", zegt mijn paddestoelengids over deze Grote Sponszwam. En hij is ook nog eens zeldzaam! En een zo'n beest weegt maar liefst 1 tot 9 kilo en levert dus voor enkele dagen eiwitrijk voer op. Ik kwam hem vanmiddag tegen tijdens het mountainbiken op de Veluwe, maar ik weet helaas niet meer precies waar. Flip Hul, Petrea of het Zwolsche Bos - Joost mag het weten...

01 oktober 2010

Solitaire paddestoelen

Ik heb het hier al eens eerder geconstateerd: mountainbiken is eigenlijk veel leuker dan wielrennen. Vanmiddag ontdekte ik weer allerlei onbetreden paden vlakbij Zwolle. Even voorbij Wythmen verliet ik de geasfalteerde wegen en sloeg linksaf een graspad op, dat volgens mijn kaart een officiële weg moest zijn. Daar zijn nog niet veel fietsers achtergekomen, merkte ik al snel want het gras werd steeds hoger, de plassen steeds dieper en de koeien steeds minder mensenschuw.
Maar het was wel degelijk de weg die op mijn kaart stond want via een boerenerf belandde ik uiteindelijk in De Horte. Daarna volgde een dwaaltocht door Mataram waarna prachtige landwegen me naar landgoed Den Berg leidden. Ik geloof dat je als fietser niet 'Den Berg' zelf (een rivierduin, dat ongeveer 12.000 jaar geleden is ontstaan) dient te beklimmen. Maar opeens zag ik links in de diepte - ik schat zo'n 15 meter beneden me - de asfaltweg lopen die ik normaal op de racefiets berijd. Ik had een heuvel beklommen! 't Is wat.
Het enige nadeel van mountainbiken in het bos in dit jaargetijde is dat je vaker stilstaat om een paddestoelen te bekijken dan dat je fietst. Zeker deze herfst: wat een ongelofelijke hoeveelheid! Ik ben er inmiddels achtergekomen dat ik meer houd van solitaire paddestoelen dan van de gebundelde exemplaren of woekerende gezwellen zoals elfenbankjes. Een paar van die apparaten die bij elkaar staan (zoals de drie op de foto) dat gaat nog, maar ze moeten niet aan elkaar vast zitten. Vraag me niet waarom, maar ik hou er niet van.

P.S. Wie weet tot welke soort de drie kleine paarse knopjes behoren, moet dat even melden (ze zijn maar een paar centimeter hoog en veel donkerder paars dan op de foto; ik zag ze pas toen ik al gestopt was voor een andere paddestoel; later zag ik dat er heel veel van in het bos staan). Het probleem met paddestoelen determineren is dat ze er in elke levensfase anders uitzien en mijn gids voorziet slechts in foto's uit de glorietijd. Dat vertekent nogal: een groot deel van die apparaten ligt inmiddels alweer hard weg te rotten; de vliegenzwammen bijvoorbeeld zijn inmiddels flink gebleekt, vergeeld en ingedroogd.

29 september 2010

Zwart asfalt

Vers zwart asfalt is een beetje zoals zwart ijs. Het is maagdelijk, onontgonnen terrein. Je hebt het idee dat je als eerste de nieuwe wegen betreedt, als een pionier op weg naar ongeziene horizonten. Nou ja, 't is wel gewoon aangelegd door mensenhanden natuurlijk, met een duidelijke eindbestemming. En een stuk stroever dan spiegelend zwart ijs. Eigenlijk niks dan surrogaat dus, vanmiddag, op de dijk tussen Wilsum en Zwolle. Maar mooi was het wel.

24 september 2010

Berg en vlakte


Bergop of tegenwind.
Zwartneusschaap of Overijssels dijkschaap.
Naar beneden of voordewind.
Koe met bel of koe zonder bel.
In de wolken of in de mist.

Herfsttijlozen of paddestoelen.
Gele bussen of groene bussen.
Milchkaffee of cappuccino.
20 km per uur of 26 km per uur.
Beinhaus of Thomas a Kempis.

De blik omhoog of de wijde blik.
Bergen of de vlakte.
Lucht en leegte.
De zon komt op, de zon gaat onder.

Alles is vermoeiend.

22 september 2010

Gif in het bos



Wie nu gratis gif wil hebben moet naar het bos rennen. Ziehier de vliegenzwam (onder, 'zeer giftig' volgens mijn paddestoelengids) alsmede de kleverige knolamaniet (boven, 'dodelijk giftig'). Vanmiddag gezien in de bossen bij Heino, naast nog ongeveer 132 andere paddestoelensoorten.

31 augustus 2010

De blik omhoog


Zaterdag in Groningen, slingerende wegen.
De zon scheen maar buien dreigden.
Plaatsen met namen als Leegkerk en Enumatil.
(Ik moest naar Aduard waar vriendin M. een wedstrijd fietste; 't is niet anders.)
Met de blik omhoog zocht ik mijn weg.
Den Horn, Zuidhorn, Noordhorn, en nergens regen.
De wolken volgden een voorspelbare weg.
Den Ham, Briltil.
Ja, Briltil.
Het bleef droog tot Aduard.

19 augustus 2010

Een levende slang

Ha, een dode slang! Dat dacht ik tenminste toen ik vanmiddag vlak voor Wezep uitweek voor een gekruld schepsel dat roerloos aan de kant van de weg lag. Aangezien ik dode dieren verzamel, keerde ik onmiddellijk om teneinde ook deze vangst voor de eeuwigheid vast te leggen. Om vervolgens te bemerken dat dit beest niet dood was, maar lekker van de warmte aan het genieten was op het asfalt. Hij keek me aan en stak zijn tong een paar keer uit. Of beter: zij. Want de oplettende lezer heeft natuurlijk allang gezien dat het hier om een hazelworm gaat van, gezien de strepen, de vrouwelijke kunne (strikt genomen is het geen slang maar een pootloze hagedis, want dat is zo'n beest nu eenmaal, maar hij ziet eruit en beweegt als een slang).
Omdat mevrouw de hazelworm op een nogal gevaarlijk plaats lag - auto's en fietsers bedreigden voortdurend haar leven - probeerde ik de zonaanbidster van de weg af te leiden, maar Hazeltje was tamelijk hardleers. Pas toen ik echt dichtbij kwam met mijn camera trok ze zich tergend langzaam terug van het asfalt en kronkelde ze richting een beschermend dek van afval en rotte bladeren.

11 augustus 2010

De bramen zijn rijp

Nou ja, niet allemaal. Maar aan de struiken die ik vanmiddag in de Noordoostpolder passeerde, vlakbij Kraggenburg, hingen heel grote, diepdonkerrode. Dus ging het water uit de bidon en de bramen erin. Inmiddels staan er vier potjes bramen-frambozenjam op het aanrecht (die frambozen lagen nog in de vriezer, vandaar). Heeft het toch nog enig nut, al dat gefiets.

08 augustus 2010

Stoplichtscène

"'Weg!', zei ik. Weg! En je hoeft nooit meer terug te komen.' Nou, ik heb haar ook nooit meer terug gezien." De vrouw stond te wachten bij een stoplicht in Zwolle, fiets tussen de benen. Ze had het tegen een zwijgende man, die naast haar een beetje voor zich uit zat te staren. Hij was zo groot dat hij niet af hoefde te stappen. We wachtten tot het licht weer op groen sprong. "Woest was ik. Ja, mijn hele huis naar de kloten! 'Weg!', zei ik. 'Weg!' Goh, wat was ik kwaad. Na tweeëneenhalf jaar... Betweterd." Ze had zwart geverfd haar, een ring door de neus en een ring door de lippen, waardoor haar accent niet makkelijk te duiden was. Tot ze 'betweterd' zei dan. Waar ze het over had werd me niet duidelijk, maar ze was nog steeds kwaad. Ontzettend kwaad.
Nee, doe mij toch maar het Overijsselsch Kanaal met zijn bloeiende Sint Jacobskruid (of wat dat gele spul ook mag wezen).

02 augustus 2010

Terug naar het Hogeland

In 1994 kocht ik mijn eerste racefiets, een Peugeot Champagne. Dat was toen al een oud model, maar hij was goedkoop en veel geld had ik niet. Ik woonde in de stad Groningen en ontdekte die zomer het Hogeland. Oneindige vlaktes met ergens aan de horizon altijd wel een kerktoren. Rogge, tarwe, aardappels en vlas op het land. Verlaten boerderijen en prachtige wierdedorpjes zonder nieuwbouwwijken. En het Reitdiep dat daar majestueus doorheen kronkelde. Vier of vijf zomers lang duurde mijn eerste fietsperiode. Toen hing ik mijn Peugeot op in de schuur om hem er in de jaren daarna nog maar een enkele keer uit te halen. Waarom? Ik weet het niet meer. Maar wat voor altijd in mijn geheugen gegrift stond, was de kale, verlaten schoonheid van Noord-Groningen.
Oostum, met de klim naar het kerkje, een van de weinige bulten in dit vlakke land. Warfhuizen, waar ik elke keer als ik er doorheen fietste dacht: Hier wil ik ooit wonen. Zoutkamp, waar ik altijd een haring at bij de viskar in het haventje. Kloosterburen, Kruisweg en Kleine Huisjes, waar de katholieken woonden. Ach, Kleine Huisjes... Ooit sprak ik daar Luurt Huizenga, een oomzegger en naamgenoot van mijn hardloper. Hij was al ver in de tachtig en haalde aan het begin van de avond in de tuin van zijn boerderij herinneringen op aan zijn legendarische oom. De rimpels in zijn gezicht kregen extra tekening in het scherpe licht van de ondergaande zon. 'Het waren andere tijden', zei hij, steeds maar weer. Ja, het waren andere tijden.
Zaterdag was ik even terug in Noord Groningen. Ik logeerde in Wehe-Den Hoorn en maakte een rondje op de racefiets. De motregen ging langzaam over in echte regen en bedekte alles met een grijze waas. En toch dacht ik weer: Hier wil ik ooit wonen. Misschien is het de roep van de uitgestrektheid, die alles in perspectief zet. Of de kaarsrechte bomenrijen, die je alleen hier ziet. Hier word je genadeloos geconfronteerd met je eigen nietigheid. En hier is rust. Stilte. Het eerste dat me opviel waren de verschillende gewassen op het land. Bij ons is bijna alles snijmaïs, maar in Groningen wisselen rogge, tarwe, vlas, aardappelen en spelt elkaar af en is maïs in de minderheid. Helaas zijn er ook van die lelijke witte windmolens gekomen, achter de dijk bij Hornhuizen, waar de echte vlakte begint, richting de Wadden. Dit vlakke land was ooit water. Misschien was dat nog wel wat me het meest verbaasde: naast heel veel kraaien vlogen hier ook meeuwen. Afgedwaald, of gelokt door de roep van de in de klei verzonken zee.