26 april 2011

De jacht op de oer-Drent

Het is een bizar toeval. Mag je als journalist een dagje meezoeken met archeologen, sta je na vier uur bukken, stenen oprapen, bekijken en weggooien opeens met een door Neanderthalers bewerkt stuk vuursteen in je handen. "Een prachtige afslag", zegt Jaap Beuker opgetogen, terwijl hij het artefact nog eens bestudeert. "Kijk: de slagbult, goede hoeken, duidelijke negatieven, mooie windlak… De mooiste vondst van de dag!" De conservator archeologie van het Drents Museum legt de vindplaats nauwkeurig vast met zijn GPS-meter. Marcel Niekus, archeoloog van de Rijksuniversiteit Groningen, is er inmiddels bij komen staan, net als de andere zoekers. "Gefeliciteerd", zegt Niekus enthousiast. "Dit is echt heel bijzonder. Veel amateurarcheologen zoeken twintig jaar zonder succes naar Neanderthaler-artefacten en jij raapt er op je eerste dag al eentje op."
Welkom in de wereld van de archeologie. Met zijn tienen struinen we een akker af in de buurt van Assen. Naast elkaar lopend, blik op de grond vlak voor ons, volgen we de voren in de zwarte aarde. Elke vierkante centimeter wordt systematisch bestudeerd, alsof we politieagenten zijn op zoek naar bewijsmateriaal. Een rondcirkelende buizerd kijkt vanuit de hoogte op ons neer. Het is vandaag bewolkt maar droog en er is genoeg licht. De akker, die deels net is omgeploegd, is eigenlijk iets te droog en stoffig maar verder is het ideaal zoekweer, meent Beuker. "Met volle zon heb je teveel reflectie. En we hebben hier ook wel rondgelopen met regen terwijl het een stuk kouder was. Zakte je tot je enkels weg in de zuigende modder. Dat is geen pretje, zeker als je dan niks vindt."
Ooit bevond zich op deze plek, aan de rand van een beekdal, een jachtkamp van Neanderthalers, de oudste bewoners van Drenthe. Het is een opwindende gedachte: de ‘afslag’ die uw verslaggever zojuist opraapte, is minstens 50.000 jaar geleden voor het laatst door een mensenhand aangeraakt. En dan ook nog door iemand die behoorde tot een andere mensensoort, die vele duizenden jaren geleden voorgoed van de aardbodem verdween. "Een afslag is een bijproduct van het maken van stenen werktuigen, zoals vuistbijlen", legt Beuker uit. De conservator uit Assen geldt als dé specialist in Nederland op het gebied van vuurstenen werktuigen. "Als ze de goede vorm hadden, werd er met zo’n afslag vlees gesneden of huiden uitgeschraapt. Het zou best kunnen dat die van jou daar ook voor gebruikt is."
Let wel, we hebben het hier niet over het snijden van een biefstukje uit de bil van een koe. In de tijd van de oer-Drenten liepen hier mammoeten, wolharige neushoorns en rendieren rond. Neanderthalers jaagden op groot wild en op deze plek beenden ze hun vangst uit en prepareerden ze het vlees. "Als ze verder trokken, lieten ze de werktuigen vaak achter", zegt Beuker. "Vuistbijlen, die ze ook gebruikten voor houtbewerking, maak je in tien minuten."
Drenthe vormde voor de Neanderthalers de noordelijke rand van hun leefgebied. Het landschap zag er in hun tijd heel anders uit dan nu. Zo waren er bijvoorbeeld grotere reliëfverschillen. "De dalen zijn nu opgevuld met sediment, waardoor de bodem op sommige plekken wel vijftien meter hoger ligt", vertelt Niekus. "En van boven zijn delen geërodeerd. Als je een beeld wilt krijgen van toen, moet je al het veen wegdenken, en ook de dekzanden en de bossen." Door de wisselingen in het klimaat varieerde de flora en de fauna. "In de koudste periodes trokken de Neanderthalers weg. Toen was het hier een poolwoestijn met sneeuw- en zandstormen. Stukken vuursteen die toen aan de oppervlakte lagen, kregen daardoor een glans die we windlak noemen."

Je moet wel een beetje gek zijn om dit te doen, vertellen de stenenzoekers tijdens de lunch, aan de rand van de akker. De thermosflessen met koffie komen tevoorschijn en Jaap Beuker deelt koekjes uit. "Het is net kievitseieren zoeken op een weiland waar geen kievitten zitten", zegt Dick Brinkhuizen, die zo slim is geweest om een stoeltje mee te nemen. De Groninger archeoloog – gespecialiseerd in visresten uit archeologische opgravingen – vond vanmorgen de eerste afslag van de dag. Hij is de topscorer van de groep op deze akker, met maar liefst drie Neanderthaler-vuistbijlen. "Puur geluk", relativeert Brinkhuizen, die al sinds 2007 op deze plek meezoekt. "Je pakt een stuk vuursteen op waarvan een randje uit de grond steekt en dan blijkt het een vuistbijl te zijn." Een andere speurder van het eerste uur, Assenaar Jan van Rijn, zoekt ook al jaren mee, maar vond tot vandaag slechts twee afslagen. "Het grijpt je of het grijpt je niet", zegt de amateur-archeoloog.
Zoeken naar Neanderthaler-artefacten is een oefening in traagheid en geduld, met ‘s avonds zere voeten, een pijnlijke rug en last van je nek. "Je komt nergens zo dichtbij de Neanderthalers als hier", verklaart amateurarcheoloog Henk Paas de aantrekkingskracht van deze hobby. "In Groningen liggen er meters klei op de gronden waar ze rondliepen, maar hier leefden ze op de grond waar wij nu ook op lopen. Dat idee vind ik zo speciaal." De Assenaar is in het dagelijks leven begeleider van mensen met een verstandelijke beperking. "Daarom loop ik op de akker ook achteraan", grapt hij. "Kan ik mooi een oogje op jullie houden." Archeologenhumor, het hoort erbij, op zo’n lange dag op de akker. "Gelukkig", zegt Beuker als uw verslaggever een dood sijsje op de akker fotografeert voor zijn dode-dierencollectie. "Er zijn dus mensen met nog vreemdere hobbies."
Beuker beleefde in november vorig jaar zijn finest hour op deze akker, toen hij een prachtige vuistbijl vond. "Ik heb daarna zeker drie nachten niet geslapen", zegt hij. "Het hart slaat je over als je opeens met zo’n vuistbijl in handen staat! En diezelfde dag werd er nog een vuistbijl gevonden. Echt een absurd toeval." De teller staat inmiddels op bijna zeventig artefacten, vertelt Niekus. "Dat is meer dan het totaal aantal Neanderthaler-vondsten uit de rest van Drenthe." Daarom moet deze locatie ook geheim blijven. "We kunnen hier nog jaren vooruit", zegt Niekus. "Maar als de plek bekend wordt, krijg je schatzoekers en wordt het wetenschappelijk onderzoek verstoord."
Niekus (40) en Beuker (58) werken sinds begin 2007 aan het project ‘Midden-Paleolithicum Noord-Nederland’, een samenwerkingsverband van het Drents Museum en het Groninger Instituut voor Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Op de achtergrond worden ze bijgestaan door de archeologen Dick Stapert en Lykke Johansen. Doel van het project is het inventariseren en beschrijven van alle tot dusverre gevonden Neanderthaler-artefacten en het uitvoeren van veldverkenningen naar nieuwe vindplaatsen. Bijna hadden ze die laatste doelstelling opgegeven. "Dat we hier nu staan, is ook weer zo’n bizar toeval", vertelt Niekus. "Al in de jaren negentig hebben Jaap en ik dagenlang akkers afgezocht zonder iets te vinden. Begin 2007 hebben we onze zoektochten hervat toen zich een groep studenten aandiende die wat met de Oude Steentijd wilde doen. We zijn toen een paar maanden lang twee of drie dagen per week op pad geweest met een groep van een man of acht. Weer zonder resultaat. Toen we op de laatste zoekdag, medio maart, opnieuw niks vonden, zeiden we: ‘We stoppen ermee.’ We gingen naar een café om een kop koffie te drinken en pakten nog even de kaart erbij. Toen we deze akker zagen, zeiden we tegen elkaar: ‘Zullen we die toch nog even proberen?’ Na tien minuten vond ik een afslagje, na een half uur had Dick Brinkhuizen een vuistbijl in zijn handen, en weer even later vond een studente een grote kling. Dat was echt een eureka-moment."

Opnieuw opwinding op de akker! Terwijl uw verslaggever in een euforische stemming een uithoek afzoekt hopend op een vuistbijl, drommen de anderen honderd meter verderop om Jaap Beuker heen. "Ik was op weg naar de rand van de akker om wat op te halen en toen zag ik deze afslag liggen", zegt Beuker even later. Met drie afslagen en een twijfelgeval is het een productieve dag op de Neanderthaler-akker, waar sinds de eerste vondsten in maart 2007 nu enkele tientallen keren is gezocht. De akker is hard op weg om de grootste vindplaats van Neanderthaler-objecten in Noord-Nederland te worden. "Van latere perioden, zoals de tijd van de hunebedbouwers, heb je honderden van dit soort plekken", zegt Niekus. "Maar voor Neanderthalers zijn ze heel zeldzaam. Wat deze plek heel bijzonder maakt, is dat we negen vuistbijlen hebben gevonden. Krankzinnig veel en meer dan je verwacht bij een gewoon kampement. Blijkbaar was dit een aantrekkelijke plek waar ze een paar jaar achter elkaar zijn teruggekomen."
Zeker is dat overigens allerminst. Omdat de stukken aan de oppervlakte zijn gevonden, is een precieze datering vooralsnog onmogelijk. De objecten zouden ook met tussenpozen van een paar honderd jaar kunnen zijn achtergelaten door verschillende groepen Neanderthalers. Om daar meer over te kunnen zeggen, zou uitgebreid geologisch onderzoek verricht moeten worden. "De datering gebeurt nu op basis van typologische kenmerken van de vuistbijlen", zegt Niekus. "Daaruit is op te maken dat onze vindplaats óf 50.000 jaar oud is, óf 100.000 jaar. We hopen het komende jaar middels proefboringen onder meer de ouderdom exact te kunnen bepalen."
Een ding is zeker: in de Drentse bodem liggen nog enorme schatten aan informatie verborgen over Neanderthalers. "Er is hier nog voor honderden jaren archeologisch werk", beaamt Niekus. "Er zijn nog zoveel akkers die niet goed zijn onderzocht. En over wat er allemaal nog onder de weiden in de stroomdalen kan liggen, moet je maar niet te veel denken…" Eigenlijk zou er nog veel structureler en massaler gezocht moeten worden, maar de praktijk is dat de onderzoeksgelden beperkt zijn. Bovendien draait dit soort tijdrovend onderzoek op vrijwilligers en een paar bevlogen wetenschappers zoals Niekus en Beuker. "Maar het kan nog erger", zegt Niekus. "In Limburg, waar ook veel is gevonden, wordt alleen maar door amateurs gezocht, zonder onderzoeksplan. Doodzonde." Met uw verslaggever, die inmiddels Jaap Beukers standaardwerk Vuurstenen werktuigen heeft aangeschaft, is er in elk geval weer een zoeker bij.

Bovenstaande post stond zaterdag als weekendverhaal in 'Dagblad van het Noorden'. Er stond ook nog een kadertje bij, namelijk dit:

Neanderthalers
Homo neanderthalensis, zoals de wetenschappelijke naam van Neanderthalers luidt, leefde van ongeveer 250.000 tot 28.000 jaar geleden in Europa. Het verspreidingsgebied van deze mensensoort varieerde afhankelijk van de klimaatomstandigheden. Noord-Nederland deden deze mensen aan tussen 130.000 en 35.000 jaar geleden, maar niet continu. Ze zaten hier vooral in de gematigde en warmere periodes van de voorlaatste ijstijd. Als het te koud werd, trokken ze naar het Zuiden. Onze voorouders, die net als alle nu levende mensen op aarde behoorden tot de mensensoort Homo sapiens, kwamen ruim 40.000 jaar geleden vanuit Afrika naar Europa. Of de confrontatie met hen geleid heeft tot het uitsterven van de Neanderthalers is niet bekend. Wel weten we dat Neanderthalers een zeer intelligente mensensoort vormden, die waarschijnlijk net als wij over spraakvermogen beschikten. Het oude, hardnekkige beeld van de Neanderthaler als een woeste, oerkreten uitstotende holbewoner met een knots in de hand is volstrekt achterhaald.

Het is maar dat u het weet.

25 april 2011

De Drentse heidekoe

Het Drentse heideschaap kende ik wel. Maar hoe zou de Drentse heidekoe smaken? (Vanmiddag graasden ze op de heidevelden van het Heuvinger Zand bij Hooghalen.)

24 april 2011

Afzien

Dat was een merkwaardige ervaring vandaag, op de dijkjes langs de IJssel tussen Zwolle en Kampen. Opeens bedacht ik me dat ik eens een keer moest leren afzien. Dus voerde ik het tempo op en pijnigde mijn benen. Ik begon te zweten. Ik begon te hijgen. Ik reed vijf kilometer lang 37 per uur, voor de wind. Ik voelde iets in mijn benen. 'Zo meteen op de terugweg, met wind tegen, stort ik wel in', dacht ik.
Met een gemiddelde van net boven de dertig bereikte ik Kampen. Dat viel me eerlijk gezegd wat tegen. Maar eenmaal op de terugweg besloot ik dat het me nu een keer niet zou overkomen, die mentale dip. Ik schudde alle gedachtes van me af ('Waarom doe ik dit?', 'Waar heb dit nou voor nodig, wat is dit nou voor zin?') en hield de teller op minimaal 29 per uur, hoe hard de wind me ook in het gezicht blies. Ik schakelde een tandje bij en bleek zelfs nog harder te kunnen zonder van mijn fiets te vallen en te sterven!
Ik passeerde mensen die me raar aankeken. Ik keek naar de grond en ging in de beugels. Ja mensen, u leest het goed: in de beugels! 'Malen, niet opgeven, nu moet je door', dacht ik terwijl Zalk naderde, met de wind vol op de kop. Ik dacht niet een keer: 'Waarom?' Nee, ik trapte gewoon door en hijgde en zweette en meende zelfs een lichte pijn in mijn benen te voelen. Ik vloog Zwolle binnen met maar één gedachte: dat gemiddelde moet boven de dertig blijven! Het lukte. Thuis stond de teller op 38 kilometer gefietst, tegen een gemiddelde van 30,3 per uur. Merkwaardig genoeg had ik tegen de wind in net zo hard gereden als voor de wind. Hevig hijgend en zuchtend zeeg ik neer op de binnenplaats, waar mijn lieve vriendin M. een boekje zat te lezen. Ze kreeg de slappe lach. Toen ik mijn gemiddelde liet zien, moest ze nog harder lachen. Tsja.
Na tien minuten was ik alweer hersteld en zo fris als een hoentje. Geen pijn in de benen, geen vermoeidheid. 'Dat moet dus nog veel harder kunnen', luidde de conclusie. 'Als je de volgende keer nu eens iets zwaarder gaat rijden', opperde M. Klerenzooi. Denk je dat je eindelijk eens hebt afgezien en naar de kloten bent, blijkt het allemaal nog niks voor te stellen.

22 april 2011

Het is een gele wereld

Alles is geel. Op de auto ligt geel stof en op de eettafel in de tuin zijn de gele pollen neergedaald. Buiten de stad is ook alles geel (voor zover het niet groen is, natuurlijk). Paardenbloemgeel om precies te zijn. Overal bloeien ze: langs de kant van de weg, aan de bosranden en op de weilanden. Waar komen ze vandaan? En waarom zijn het er zoveel dit jaar? Omdat geel de kleur van Pasen is? Op sommige plekken zijn ze al uitgebloeid en omgevormd in pluizige, grijze bollen als voorbode van de toekomst. Over een week is het geel grijs geworden. Maar tot die tijd is het een gele wereld.

19 april 2011

Zomer


't Is zomer.

Laag Zuthem
Den Alerdinck
Heino (lang geleden)
Hondemot
Raalte
Schoonheten
Nieuw-Heeten
Okkenbroek
Lettele
Linde (ach Linde...)
Wesepe
Middel
Elshof
Elshof...
Ja, Elshof

't Is zomer, 86 kilometer lang.

09 april 2011

De Muur van Hoei

Ik heb hem donderdag vier keer beklommen zonder het te beseffen: de Muur van Hoei is geen klim maar een gebed. En ik had het kunnen weten. De weg die door Hoei omhoog leidt, heet Le Chemin des Chapelles en voortkruipend op mijn racefiets zag ik ook die zeven kapelletjes wel. Maar soms komt besef pas later.
Ik wist niet dat die kapellekensbaan de Zeven Smarten van Maria verbeelden. En ik wist niet dat Onze Lieve Vrouwe boven op me wachtte, in het kerkje op de top. De beklimming van de Muur is niet alleen een oefening in nederigheid, maar ook een daad van aanbidding en naar de hemel reiken. En dat al sinds de zeventiende eeuw, dus ver voordat de fiets werd uitgevonden.
Het begon allemaal in 1621 toen een arme vrouw uit Hoei tijdens het sprokkelen van hout op de berghelling een Mariabeeldje vond, bij de ruïne van een oud kapelletje. Ze bond het beeld op haar takkenbos, maar die bleek opeens niet meer te tillen. Ook de hulp van twee voorbijgangers mocht niet baten. Nadien kwamen velen naar de Muur, gelokt door die wonderbaarlijke Vrouw der Smarten.
De Muur is van oorsprong een pelgrimsweg voor gelovigen die in de Notre-Dame-de-la-Sarte het beeldje van Maria aanbidden. Maar de fietsers hebben de pelgrims van de Muur verdrongen. Wij, de goddelozen van de weg, laten het kerkje op de top in onwetendheid rechts liggen, opgelucht dat we het gehaald hebben zonder halverwege dood neer te vallen.
Nu begrijp ik die belachelijke percentages: je moet lijden om de verlossing te verdienen die boven wacht. De volgende keer dat ik de Muur beklim, zal ik een kaarsje branden in het kerkje.

25 maart 2011

Fietser tussen schijn en wezen


Raadsel voor fotografen: wat is (weer)schijn en wat is wezen op bovenstaand beeld? De foto is gemaakt op het dijkje van Haerst naar Hasselt, tussen de buurtschappen Genne en Holten. Er is niks aan bewerkt of gedaan (ook niet qua kleur en scherpte en dergelijke).

14 maart 2011

Een sijs op het land

Misschien had hij gewoon genoeg van dat eeuwige gevlieg. Hij zag een mooie, vers geploegde akker en koos die uit als zijn graf. Fladderend liet hij zich uit de lucht vallen en op de zwarte aarde sloot hij zijn vleugels voorgoed om zijn kleine lichaam. Zelfmoord in sijsjesland.
Of was hij gegrepen door een roofvogel? Een valk die, afgeleid door een muisje dat rennend een verlaten weg overstak, de net gesnapte sijs liet vallen, omdat het water hem in de snavel liep bij het zien van een sappiger hapje. Met gebroken nek stortte het magere sijsje neer op de akker. Zinloos geweld in vogelland.
Maar het kan natuurlijk ook een natuurlijke dood zijn geweest. Het sijsje was geland om eens lekker wat vette wormen te verorberen. Dat had hij de laatste dagen al zo vaak gedaan, nu de boeren weer hard aan het werk waren op het land. Voedsel in overvloed na de koude winter. Het vogeltje schranste dag na dag en opeens begaf zijn hartje het. Een dode sijs op het land.

09 maart 2011

Bertha 57

Daar lag ze, langs de kant van de weg. De zon scheen fel, maar de gure wind deed het zwarte plastic opwaaien. Maar wat maakte het uit, koud was ze toch al. Bertha 57 lag te wachten op de ruimer, die niet zou komen. Niet vandaag in elk geval, want het was zondag. Vier poten staken onder het plastic uit. Bij haar kop was het losgewaaid, waardoor haar neus en mond zichtbaar waren. Bertha's tong stak tussen haar tanden uit. Alsof ze lag na te hijgen van een lang, arbeidzaam leven. Hoeveel melk zou Bertha 57 hebben gegeven, al die jaren? En kwam die melk bij ons op tafel: als melk of als boter of als kaas? Hoeveel melk geeft een koe eigenlijk, in een koeienleven? Een ding is zeker: haar vlees komt niet bij ons op tafel. Ze was al wat grauw uitgeslagen, arme Bertha 57. Het leven was allang weggevloeid. Bertha 57 wordt vernietigd door een destructiebedrijf. Dat is haar trieste lot. Voor haar geen uitvaart en geen koeiengraf, waar haar dochters en zonen kunnen treuren. Arme Bertha 57. Daar lag ze, langs de kant van de weg, bij Giethmen. Rust zacht.

22 februari 2011

Top drie

Inderdaad, helemaal vergeten. Mijn jaarlijkse top tien van favoriete nieuwe cd's. Nu heb ik er in 2010 niet zoveel gekocht, dus het lijstje is nog korter dan vorig jaar. Maar toch, op veler verzoek, de drie mooiste cd's van afgelopen jaar:
1. Johnny Cash, Ain't no grave
Lees hier waarom.
2. Dear Tick, The Black Dirt Sessions
Rauwe americana met twee geweldige ballads: Goodbye, Dear Friend en Christ Jesus. Ook de eerste cd van Dear Tick, Born on Flag Day, is overigens meer dan geweldig.
3. Daniël Lohues, Allenig IV
Het mag nu wel eens gezegd worden: Lohues is met afstand de beste Nederlandse bard. Intieme parels met teksten waarvan je weer vertrouwen krijgt in de mensheid. Luister bijvoorbeeld eens naar Niet alle dwalers bennen verdwaald. Heeft vorige week met Hout moet alweer de beste cd van 2011 uitgebracht. Lohues is zo goed dat het me spijt dat ik geen Drent ben. Gelukkig heb ik als Zaankanter De Kift nog.

18 februari 2011

Mataram

Ik zoek Mataram.
Dood hout in De Horte, het is kil en grijs.
Horte. Mataram. Dood hout op de weg.

Mataram. Horte. Mataram.
Dood hout op de weg, die zoek is
en steeds dezelfde.
Horte. Mataram. Horte.
Kale bomen, dode sporen,
in totale verlatenheid.

Mataram. Horte. Dood hout
en weer diezelfde weg.
Horte. De weg naar Mataram,
het is kil en grijs.
Dood hout in Mataram.

Eindelijk gevonden.

16 februari 2011

Lente op de Berkendijk

Het gaat om de weg.
Ik fietste vanmiddag op de Berkendijk, tussen Heino en Lemelerveld. Ik was gestopt om een reepje te eten en de lentewarmte op te nemen. De Berkendijk is zo'n zeldzame plek waar het nog echt stil is. Ik hoorde alleen een vogel fluiten en een hond blaffen.
Het gaat mis als je denkt er te zijn. Zie Into the wild, zie blonde Geert, zie alle waarheden. Alleen de weg zelf doet ertoe. Of hij nu kaarsrecht is, zoals de Berkendijk met - inderdaad - al zijn berken, of slingert, zoals even later richting de Eelerberg.
Ik herlas vanavond een passage uit de roman Thuis van Marilynne Robinson. Daarin denkt een oude dominee op zijn sterfbed terug aan zijn vroegere discussies over hoe het mysterie van de predestinatie te verenigen is met dat van de redding. 'Geen conclusies?' 'Niet een die ik me op dit moment kan herinneren. Het lijkt alsof de conclusies altijd minder interessant zijn dan de vragen. Ze blijven je niet bij, bedoel ik.'
Het gaat om de weg. En om de erwtensoep bij De Driesprong natuurlijk.

14 februari 2011

De Streif

Twee weken geleden was ik een weekend in Oostenrijk. Ik schreef er het volgende verhaal over voor 'Dagblad van het Noorden'.

Mijd de Streif
"Das bringt doch nichts", zegt een man tegen zijn zoontje, dat per se via de steile wand na de zogenaamde Mausefalle naar beneden wil. Het knulletje is hooguit vijf jaar oud – dik ingepakt, helm op de kop, korte skietjes aan de voeten. Hij wil de afgrond in en niks anders. "Het is alleen maar ijs", zegt zijn vader. "Een muur van ijs. Levensgevaarlijk." Het jongetje dramt en zeurt en duikt dan opeens over de rand. Na een paar meter glijden op de blauwe ijsmuur gaat hij onderuit en stort de diepte in.
We staan bovenaan het steilste stuk van de Streif, de beroemdste en moeilijkste World Cup-skiafdaling ter wereld, het meest spectaculaire onderdeel van de fameuze Hahnenkammrennen. Jaarlijks komen tienduizenden mensen naar het Oostenrijkse stadje Kitzbühel voor deze legendarische afdaling. De wedstrijdskiërs springen bij de Mausefalle, vlak na de start, met 100 kilometer per uur over de steile ijsplaat heen. Ook bij hen gaat het regelmatig fout. Drieëneenhalve week geleden liep de Oostenrijker Hans Grugger op deze plek, met hellingspercentages tot 85%, hersenletsel op na een zware val.
Het jongetje zeilt na zijn val over de ijsvlakte naar beneden, slaat een paar keer over de kop en komt honderdvijftig meter lager, waar het iets minder steil wordt, tot stilstand. Huilend ligt hij in de diepte. Als zijn vader naar hem toe is geglibberd, blijkt het vooral de schrik te zijn en even later skiën vader en zoon verder, op weg naar de volgende uitdaging op de Streif: de Steilhang, nog zo'n ijsmuur (zevenhonderd meter afdalen tegen 62% gemiddeld). Ondertussen gaat onder ons de ene na de andere skiër onderuit, gevolgd door een spectaculaire glijpartij. Wij hebben onze eerste afdaling van de Streif zonder val overleefd en willen dat graag zo houden. Dus skiën we een stukje over de Familien-Streif, die om de steile stukken van de wedstrijdpiste heen slingert; aangenaam breed, met goede sneeuw.
Eigenlijk is het volstrekte waanzin, die Streif. In het skigebied van Kitzbühel heb je 170 kilometer skipistes, met de prachtigste afdalingen: heerlijk brede carvepistes, zonovergote zwarte afdalingen, die net zo steil zijn als de Streif, maar dan met goede sneeuw. En je kunt er het avontuur zoeken door de diepe sneeuw, als er genoeg is gevallen. "Maar iedereen wil de Streif af vanwege de Hahnenkammrennen", zegt onze gids Katharina Szücs. "En omdat iedereen de steilste stukken schrapend en roetsjend afgaat, zijn die altijd ijzig, ook voordat de piste met water geprepareerd is voor de wedstrijd en nóg ijziger wordt. Alleen met verse sneeuw is het een mooie afdaling." Elk jaar zorgt het voor de nodige ongelukken. De steilste stukken zijn officieel gesloten, dus als je daar naar beneden gaat is het op eigen risico. "Het houdt de mensen niet tegen", zegt Szücs.
Halverwege de Streif komen we langs de Seidlalm, waar de wedstrijdskiërs een technisch moeilijke sprong voor de kiezen krijgen. Hier staat het huis waar Hansi Hinterseer opgroeide, meervoudig olympisch skikampioen en tegenwoordig een gevierd schlagerzanger. "Zijn vader Ernst wilde niks met hem te maken hebben", vertelt onze gids. "Hij dumpte Hansi bij zijn tante. Vader en zoon Hinterseer spreken nog steeds niet met elkaar." Ernst Hinterseer, 78 jaar inmiddels, en ook olympisch skikampioen, woont nog steeds in een huis onderaan de Streif. Szücs: "'s Zomers organiseert hij Streif-wandelingen, waarin hij over de geschiedenis van de afdaling vertelt. En in de winter skiet hij elke ochtend twee keer de Streif."
Onbegrijpelijk, denken wij, als we later op de dag over een prachtige carvepiste, even verderop, naar beneden richting Kirchberg razen. Jeugdsentiment van een oude man, iets anders kan het niet zijn, Ernst Hinterseers liefde voor de Streif. Hier is het volop genieten op zonovergoten pistes met schitterend uitzicht op de Kitzbüheler Alpen. Door de wijde dalen is het uitzicht veel mooier dan in de meeste skigebieden in Zwitserland en Frankrijk, waar de bergen dichter op elkaar staan. Hier is bovendien veel geïnvesteerd in het tot stand brengen van goede verbindingen tussen de pistes en dat vergroot het wintersportplezier enorm.
Zo kun bij Kirchberg zelfs oversteken naar het skigebied Wilder Kaiser-Brixental, waar 279 kilometer aan nieuwe pistes ligt te wachten. Die zijn al even fraai en zonovergoten als het gebied rond Kitzbühel, hebben we de dag daarvoor ondervonden. Iets minder luxe (geen verwarmde stoeltjesliften bijvoorbeeld) en iets meer Nederlanders, dat wel. Hier werd onlangs het tv-programma Oh Oh Tirol opgenomen. We liepen op een avond zelfs Sterretje en Jokertje tegen het lijf, maar dat was ook wel het grootste minpunt dat we konden vinden in dit riante skigebied. Toegegeven, het is in dit deel van Tirol niet hoog met toppen tot 2000 meter en als we begin januari dit gebied hadden bezocht, hadden we op witte kunstsneeuwslangen tussen groene bossen en alpenweides door geskied. Maar als er sneeuw ligt is het betoverend mooi.
Terug naar de Streif. We zijn inmiddels bijna beneden in Kitzbühel, waar de zon wél schijnt. Want ook dat is een nadeel van de Streif: je skiet er het grootste deel van de dag in de schaduw. "Hier bereiken de wedstrijdskiërs snelheden tot 140 kilometer per uur", vertelt Katharina Szücs. "Kijk, daar links is de slalompiste van de Hahnenkammrennen. Veel mooier dan de Streif, veel meer zon en geen skiër te zien." Onze gids heeft het tijdens onze afdaling niet hardop gezegd, maar alles in haar schreeuwt: "Mijd de Streif; es bringt nichts." Gelijk heeft ze.

09 februari 2011

Onrustige vogels

De vogels zijn nog niet gewend aan fietsers. Het is te vroeg in het jaar. Toen ik vanmiddag voor het eerst sinds lange tijd weer eens langs het Overijsselsch Kanaal fietste, vloog de een na de ander op uit het water. Wilde eenden, een zilverreiger, twee rotganzen, kraaien, een kuifeend, een buizerd - vanaf een paaltje -, een blauwe reiger. Maar de bangste waren de aalscholvers. Er zijn er weer meer bijgekomen, zag ik. En ze sloegen allemaal op de vlucht. Alleen een meerkoet dobberde rustig voort.

04 februari 2011

De crux

Even iets heel anders. Fietsen is er dit jaar nog maar 1 keer van gekomen, die ene zondag dat het lente was en watersnood het land bedreigde. Onderstaand een beschouwing over het boek 'De crux', die twee weken geleden in 'Dagblad van het Noorden' stond.

Op zoek naar de kern
Over de boeken van uitgeverij Buijten & Schipperheijn leest u doorgaans niet veel in deze krant. Ook niet in andere kranten trouwens. Ja, soms wordt op een uitgaanspagina wel eens een fiets- of wandelgids van de toeristische tak van de uitgeverij besproken. Maar de levensbeschouwelijke werken van Buijten & Schipperheijn worden vakkundig doodgezwegen. De auteurs verschijnen ook zelden of nooit in tv-programma’s als De Wereld Draait Door en Pauw & Witteman. Dat komt zo: het zijn orthodoxe christenen. En dat is het soort mensen bij wie niet-christenen en vrijzinnigen zich doorgaans wat ongemakkelijk voelen. EO-volk, Nederlands Dagblad-lezers, die de waarheid in pacht menen te hebben en de bijbel van kaft tot kaft letterlijk nemen.
Het is ook wel begrijpelijk. Orthodoxe geloofsopvattingen werpen vaak een barrière van onbegrip op die een zinvolle dialoog bemoeilijkt. Ik weet er alles van, ik kom zelf uit een orthodox-christelijk gezin. Op mijn zeventiende ‘viel ik uit het verhaal’, zoals de Groningse theoloog Boele P. Ytsma in zijn boek Van de kaart het proces van geloofstwijfel en -verlies zo mooi omschrijft. Net als voor Ytsma stortte ook voor mij de Kathedraal van Zeker Weten met donderend geraas in elkaar. En ja, zoals zovelen bezag ik sindsdien orthodoxe christenen met een meewarige, wat spottende blik, vol onbegrip. Hoe is het toch mogelijk dat goed opgeleide mensen in deze wetenschappelijk verlichte tijden nog geloven in dat sprookje, vroeg ik me steeds weer af.
Maar de puinhopen van de ingestorte Kathedraal van Zeker Weten heb ik nooit helemaal opgeruimd. Het zogenaamde rationalisme van veel atheïsten wantrouwde ik net zo hard als de orthodoxe betweterigheid. En waarschijnlijk vermoedde ik onbewust dat er toch nog wat waardevols onder de steenhopen lag. Sinds ik, via een beeldend kunstenaar uit Emmen, bevriend raakte met Reinier Sonneveld, een schrijver van orthodox-christelijke huize, bloeien er weer wat bloemetjes op mijn Ruïne van Zeker Weten. Ik lees nu ook af en toe boeken van uitgeverij Buijten & Schipperheijn. En tot mijn verrassing en schaamte heb ik ontdekt dat mijn beeld van de orthodoxie helemaal niet klopt. Niet alle christenen die Jezus zien als de zoon van God nemen het scheppingsverhaal uit Genesis letterlijk, om maar wat te noemen. Ook in bevindelijke en evangelische kringen vindt een levendig debat plaats. Maar omdat in de kwaliteitsmedia alleen de stereotype zwartekousenfundamentalisten aan bod komen – lekker makkelijk en overzichtelijk, immers – krijgen wij daar niet veel van mee.
Toegegeven, de grootste ruimte van de Kathedraal wordt nog steeds gevuld door de Zeker Wetenden, voor wie de bijbel het onfeilbare Woord der Waarheid is. Maar het orthodoxe bouwwerk kent ook kamertjes waar ruimte is voor twijfel en afwijkende meningen. Daar wordt openlijk gesproken en gediscussieerd over de historiciteit van de bijbelverhalen en de onzinnigheid van het zesdagen-creationisme. Hete hangijzers, een boek dat vorig jaar bij Buijten & Schipperheijn verscheen, geeft een mooi overzicht van die kritische zelfreflectie. Als tegenhanger van dat boek verscheen onlangs de bundel De crux, waarin 49 orthodox-christelijke denkers, kunstenaars en wetenschappers – onder wie ook noordelingen zoals Elly & Rikkert en Henk Helmantel – antwoord geven op de vraag: ‘Verwoord of verbeeld de kern van je geloof’. Het resultaat is een bonte verzameling getuigenissen, verhalen, gedichten en beeldende kunst.
Natuurlijk bevat De crux traditionele belijdenissen waarin het getuigen en verkondigen van de Blijde Boodschap centraal staat. Interessanter zijn echter de verhalen waarin openlijk over de eigen twijfel wordt gesproken en anders- of niet-gelovigen met respect worden bejegend; waarin atheïsme of agnosticisme als aantrekkelijke alternatieven worden beschreven en de eigen ‘keuze’ voor de orthodoxie een persoonlijk toeval lijkt te zijn geweest. Een van de mooiste bijdragen is die van schrijver en Librisprijs-winnaar Willem Jan Otten, die op latere leeftijd christen is geworden. "In mijn geval betekent dit dat ik er van overtuigd ben geraakt, op een dag, dat Jezus is geweest wat Hij zei te zijn, en wel de zoon van God", schrijft Otten. En daar begrijpt hij zelf ook nog steeds niet veel van: "Het weinige wat ik er wel van begrijp, is dat ik gedurende de bekering steeds scherper ben gaan beseffen dat ik het allemaal nooit had kunnen geloven als ik het had kunnen geloven."
Otten beschrijft op weergaloze wijze hoe hij juist door de onwaarschijnlijkheid van Jezus’ levensverhaal tot geloof is gekomen. Toch stuit je als niet-orthodoxe lezer ook bij zijn relaas op die barrière: als je zelf dat bekeringsproces niet kent of juist de omgekeerde weg hebt bewandeld door ‘uit het verhaal te vallen’, dan overtuigt het toch niet. Geloven, tot bekering komen, Jezus zien als de zoon van God, die uit de dood is opgestaan – het is geen rationeel proces en het is ook geen keuze, zoals sommige auteurs in deze bundel doen voorkomen. Het is iets dat je overkomt, waarbij persoonlijke omstandigheden vaak een doorslaggevende rol lijken te spelen. Het prachtige verhaal dat de Drentse zangeres en schrijfster Elly Nieman vertelt over haar bekeringsproces is daar een goed voorbeeld van.
Waarom zou je als anders-gelovige, agnost of atheïst dit soort boeken gaan lezen? Nou, bijvoorbeeld om kennis te nemen van de moderne verschijningsvormen van de orthodoxie, die veel diverser zijn dan vaak wordt voorgesteld. Of om je weer eens te realiseren dat het begrip ’God’ veel meer inhoudt dan die almachtige man met grijze baard op een wolk, die wij er vaak van maken. Of anders vanwege de radicale maatschappijkritiek die de navolging van Jezus voor sommige orthodoxe denkers met zich meebrengt. Zoals bij Reinier Sonneveld, die in zijn verhaal de bevrijding uit de slavernij centraal stelt. In een eerder werk, Het goede leven, behandelde hij dat thema in uitgebreidere vorm. Voor mij was het lezen van juist dat boek een eyeopener van jewelste uit orthodoxe hoek, omdat het vlijmscherp en confronterend onze impliciete, verborgen medeplichtigheid aan allerlei vormen van maatschappelijk onrecht en uitbuiting blootlegt.
Een andere reden om De crux eens ter hand te nemen, zijn de tekeningen, schilderijen, beelden en gedichten die in de bundel zijn opgenomen. Daarbij blijkt de geloofsbarrière opeens veel minder groot te zijn. De werken waarmee kunstenaars als Janpeter Muilwijk, Paul van Dongen, Henk Helmantel en Willem Zijlstra de kern van hun geloof verbeelden, maken het mysterie van het geloof voor mij veel beter invoelbaar dan de getuigenisverhalen. Hetzelfde geldt voor de gedichten van Rikkert Zuiderveld en de onlangs overleden Guillaume van der Graft. Dat doet vermoeden dat kunst misschien wel het meest geschikte medium is om over God te praten.
Je kunt je ook afvragen hoe onoverkomelijk de bekeringsbarrière werkelijk is. Doen wij niet-gelovigen er niet te moeilijk over omdat het zo lekker makkelijk is om mensen in een bepaald hokje te zetten? Dan hoef je verder ook niet naar ze om te kijken. Terwijl het juist in deze tijden van polarisatie helemaal geen kwaad kan om te proberen met elkaar in gesprek te blijven, ongeacht afkomst of overtuiging. Het zou in elk geval geen reden mogen zijn om dit soort boeken dood te zwijgen, zoals nu nog veel te vaak gebeurt. Want waarom besteden we dan wel zoveel aandacht aan de getuigenisliteratuur uit de orthodox- atheïstische hoek? Aan de boeken van mensen die de ratio als de Nieuwe Jezus vereren, zoals Richard Dawkins en zijn volgers? Ook de Studeerkamer van Zeker Weten produceert vooral verhalen waar je uit kunt vallen.

05 januari 2011

IJspraat

"Er wordt steeds minder geschaatst. De jongeren tussen de 18 en 35 laten het afweten. Zonde. Alleen de oude mannen staan nog op het ijs."
"Met toertochten zie je ze nog wel, maar verder niet. Hoe oud ben jij nu?"
"Zeventig, en het gaat steeds minder. Sinds ik vorig jaar ben gevallen in Deventer durf ik niet zo goed meer."
"Met Arie is het helemaal gebeurd. 'Ik ben het gevoel kwijt', zei ie. 'Ik sta te wankelen op mijn schaatsen. Mijn slag is weg, de coördinatie, alles. En dan moet je bedenken wat een beest het was, vroeger.' Triest, maar het gaat ons allemaal overkomen."
"Bij mij gaat het ook achteruit. Die jongen hier kan ik op de ijsbaan nog wel aan, maar op natuurijs... De angst hè, het is de angst. Dries van Wijhe zie je ook nooit meer op het ijs. Die was hier altijd. Ik ken ze allemaal, die hier schaatsten. Allemaal oude mannen. Van Oldebroek, Noordeinde, Elburg... Maar hoeveel staan er nu op het ijs, vandaag? Nog geen tien! En het worden er steeds minder."

"Is hier maandag en dinsdag ook nog geschaatst!? Potverdikke! En ik ben gisteren alweer wezen skeeleren."
"Ik zag net ook nog iemand over de dijk skeeleren. Niet nodig. Ik heb hier zondag ook nog geschaatst. Helemaal alleen. En het ijs was nog beter dan vandaag."
"Allemachtig! En ik woon hier op het Noorden... Had me een seintje gegeven!"
"Ik heb nog een berichtje gezet op internet."
"Ik had het kunnen weten. Ik woon hier nu dertig jaar. Drie nachten min zeven en je kunt het ijs op. En je moet je best doen om te verdrinken. Bij het sluisje moet je oppassen, richting het witte huisje. Daar ging er dit voorjaar nog eentje doorheen tot aan zijn borst."
"En bij de S-bocht zit een moddergat. Daar moet je ook oppassen."
"Ja, en vlak onder het riet trap je er soms doorheen. Sta je tot je knieën in de modder. Je kunt vaak beter wat verder van de kant schaatsten. Daar is het betrouwbaarder."
"Maar wat is het mooi hè..."
"Schitterend, zo tussen het riet. Het ijs is op dit stukje alleen wel wat minder geworden sinds die eilandjes er zijn aangelegd, midden jaren negentig. Het zand komt soms doorheen. En de stroming is ook totaal veranderd."

"Wanneer was dat nou, toen wij elkaar hier voor het eerst zagen? Drie weken terug?"
"Vier volgens mij. Toen was het ijs een stuk minder."
"Ja, toen haalde ik nog een natte voet, tussen het riet. Daar schrok ik wel van."
"Kan ik me voorstellen!"
"Het ijs is best vandaag, een meevaller. Het is veel harder dan gisteren en eergisteren."
"Ja, en het weer ook. Prachtig toch? Zon, niet te koud."
"Wel veel wind."
"'t Is de laatste dag, helaas. De dooi gaat nu echt doorzetten, zeggen ze."
"Ach, het is pas januari. En we hebben al vijf weken kunnen schaatsen!"
"Ik ga mijn spullen opzoeken. Bijna vier uur geschaatst. Ik ben moe."
"Nou, tot de volgende keer."
"Hopelijk zien we elkaar deze winter nog eens!"

02 januari 2011

Alweer het Drontermeer

Ja, het kon nog prima. Het ijs was soms wat bobbelig, soms wat sneeuwig, soms wat strepig, soms wat craquelé, soms wat bellerig, soms wat scheurig, maar op grote stukken ook zwart en glad. En later op de dag zorgde een minieme hoeveelheid smeltwater voor een snelsmerend olielaagje op het keiharde ijs. Het was fantastisch, helemaal alleen op de weidse vlakten van het Drontermeer.
Eigenlijk was die tweeëneenhalf uur heen en weer schaatsen tussen Noordeinde en Elburg vandaag veel mooier dan al die toertochten van de laatste weken bij elkaar. Vooral omdat ik moederziel alleen was. Ik heb het hier al vaker opgemerkt: ik ben een eenzame fietser en dus ook een eenzame schaatser. Ik weet ook niet waarom.

30 december 2010

Dwarsgracht Natuur Tocht

Een jaar geleden was ik een paar dagen in India. In Delhi en Agra, om precies te zijn. Het was erg mistig en 12 graden, de koudste januaridagen sinds mensenheugenis aldaar. De Indiërs droegen vele lagen kleding, mutsen, sjalen en leden verschrikkelijk onder de kou. In de straten van Delhi, waar arme sloebers langs de kant van de weg onder tentzijl sliepen bij zelfgestookte vuurtjes, waren zelfs mensen overleden door de koude, meldde The Times of India. Let wel: we hebben het hier over +12 graden Celsius. Ook kou is relatief; het is maar wat je gewend bent.
Ik moest vandaag weer aan India denken, toen ik door de mist schaatste op de Beulakerwijde, die ik in eerste instantie niet eens als meer herkende. Het was erg mistig, net als toen, in India. Het beeld van dat land dat ik sinds vorig jaar in mijn hoofd meedraag, klopt van geen kant, zo ervoer ik weer eens. Niet alleen veel te beperkt, maar ook domweg veel te mistig en veel te koud. Maar daarnaast dacht ik, zoals wel vaker deze weken op het ijs: wat zouden de mensen in Agra en Delhi denken van al die Nederlanders die massaal het ijs op gaan om uren lang te schaatsen in de kou en de mist?

Vanuit hun perspectief bezien, zijn wij waarschijnlijk volslagen idioten. Gezegende, buitengewoon verwende dwazen, die de tijd, de middelen en de energie hebben om de kou te trotseren en die niet dag in dag uit hoeven te ploeteren om te overleven. De uitdagingen die normale mensen, zoals zij, dagelijks moeten aangaan om hun kinderen en zichzelf van voedsel en een leefbaar leven te voorzien, zoeken wij in verspillende schaats- of fietstochtjes zonder enige urgentie. En dat blazen we dan ook nog bij voorkeur op tot mythische prestaties, terwijl het niks meer is dan aangenaam vermaak dat hooguit leidt tot stramme spieren en een algeheel gevoel van rozigheid.
Maar afgezien daarvan: het was weer prachtig vandaag!

(Naast tweeëneenhalf rondje Dwarsgracht Natuur Tocht, ben ik ook de weg nog even overgestoken naar de Belterwijde voor de Belterwiedetocht. Ruim tachtig kilometer geschaatst vandaag, waarvan de laatste vijftien kilometer met enorme last van mijn rug. Het betere lijden, zeg maar. Gelukkig is de Noorder Rondritten nog ver weg...)

29 december 2010

Tjeukemeertoertocht

Het was druk, vanmiddag op het Tjeukemeer. En het licht boorde een gat in de wolken.

24 december 2010

Weerribbentocht

Erg druk. Matig ijs. Veel klunen. Smalle slootjes. Harde wind. Prachtige omgeving.