17 november 2009

Eetbaar of niet?

Wie in deze tijd van het jaar nog paddestoelen in de supermarkt koopt is gek of bang. Overal schieten oesterzwammen de grond uit en eekhoorntjesbrood is beschikbaar in hoeveelheden vergeleken waarmee de wonderbaarlijke vermenigvuldigingen in het niet vallen. En dan heb je nog tal van andere al dan niet eetbare soorten. Want dat is natuurlijk het probleem: welke is eetbaar? Is het gezwel dat uit bovenstaande boom steekt geschikt voor consumptie? Zo ja, dan moet u even naar De Dellen rijden waar ik dit exemplaar vanmiddag aantrof. Er groeiden vier van deze houtige joekels aan deze ene stam, dus dat is zeker een kilo eiwitrijk voedsel als het hier een lekkere paddestoel betreft.
En die dakjes hiernaast? Delicatesse of puur vergif? Te vinden naast het fietspad tussen Epe en Heerde, een stukje bosinwaarts. Ik heb even mijn paddestoelenboekje geraadpleegd en ik vrees dat het bij de exemplaren op bijgaande foto's gaat om een tonderzwam en dennenmoorder. Bij het kopje 'eetbaarheid' staat bij beide soorten vermeld 'ongenietbaar'. Niet giftig derhalve, maar dus ook niet erg smakelijk. De tonderzwam (linksboven) werd volgens mijn gidsje vroeger wel gebruikt om vuur mee te maken, dus als u een open haard heeft dan moet u toch even op de racefiets springen: hij schijnt een 'aangename, fruitige geur' te verspreiden.
En denk nu niet dat ik na elk fietstochtje een bidon vol paddestoelen mee naar huis neem. Ik ben weliswaar niet gek maar wel bang.

15 november 2009

Nattigheid van onder

Een groot nadeel van fietsen in de herfst is de nattigheid. De nattigheid van boven is dankzij de buienradar nog tot aanvaardbare proporties terug te brengen, maar de nattigheid van onder is onontkoombaar. De wegen blijven nat, plassen gaan niet meer weg, modder spat op bij elke omwenteling. Gevolg: na elk tochtje een gore fiets en enorm smerige kleren. Vanmiddag lukte het weer om de nattigheid van boven geheel te ontlopen, maar na een klein rondje van 33 kilometer langs Herfte, Lenthe (helaas met h), Hoonhorst, Dalfsen, Emmen en Wythmen zaten ik en mijn rijwiel onder de modder. Toch maar eens spatborden aanschaffen.

11 november 2009

Georg Elser

Zaterdag stond er een verbijsterend verhaal in deze krant. Het ging over Georg Elser die in 1939, helemaal in zijn eentje, de wereldgeschiedenis bijna een totaal andere wending had gegeven. Maar de bom waarmee de Duitse timmerman Adolf Hitler had willen doden, ging acht minuten te laat af. Hitler had die avond haast en daardoor overleefde hij de aanslag. Acht minuten! Ik kende het verhaal nog niet, maar het zette je automatisch aan het denken: wat als het Elser was gelukt?
Waarschijnlijk zou Duitsland ten onder zijn gegaan aan een interne machtsstrijd en zou de Holocaust nooit hebben plaatsgevonden. De Muur zou nooit gebouwd zijn en misschien zou Stalin van de chaos gebruik hebben gemaakt om Duitsland binnen te vallen, en daarna Nederland. Ik ben benieuwd hoe de communist Albert Schwertman uit Finsterwolde (ook in de krant van zaterdag) dan had teruggekeken. Als een Held van het Nederlandse Volk? Of zou hij rücksichtlos zijn weggezuiverd?
En hoe zouden wij nu terugkijken op Georg Elser? Zouden we in de krant een bijlage hebben besteed aan De Aanslag, in plaats van aan De Muur? Waarschijnlijk niet. Ik denk dat Elser als een soort Volkert van der G. voortgeleefd zou hebben, als een eenzame gek die een omstreden politicus vermoordde. Hitler moest zijn grote gruwelwerk immers nog beginnen. Misschien dat in Israël een straat naar hem vernoemd zou zijn. Alhoewel, ook Israël zou dan waarschijnlijk nooit gesticht zijn.
Als het verhaal van Georg Elser ons iets leert dan is het wel dat het verleden net zo onvoorspelbaar is als de toekomst. We moeten het doen met het heden. Het kan geen kwaad om ons dat eens wat vaker te realiseren.

(Deze post stond gisteren als column in 'Dagblad van het Noorden'. Met fietsen heeft het niks te maken, maar dat geldt ook voor het weer van de laatste dagen.)

04 november 2009

Verslaafd

Het heeft even geduurd voor het besef doordrong, maar vandaag ontdekte ik dat het toch echt zo is: ik ben verslaafd. Ik kan niet meer zonder de racefiets. De hele dag heb ik naar buiten zitten kijken of ik al kon. Maar het regende en regende en regende. Een impulsieve aankoop van de complete, geremasterde Beatles hielp ook al niet (maar wat zijn ze mooi, die afgestofte opnames!). Het bleef knagen en ik werd steeds chagrijniger. Het verlangen naar de fiets drukte alles weg. Ik ben momenteel drie buitengewoon interessante boeken aan het lezen (Karl Barth, De brief aan de Romeinen; Augustinus, De Stad van God; Adrienne Mayor, The First Fossil Hunters), maar ook daar kon ik me niet toe zetten.
Om tien over vier zag ik en streepje blauw in de lucht en besloot ik toch maar te gaan, ook al is het tegenwoordig om vijf uur bijna donker en gaf de buienradar nog steeds overal buien aan. Eenmaal op het zadel veranderde mijn humeur op slag. Ik werd euforisch! Toen ik de Veluwe naderde jubelden hart en benen een loflied op de fiets, ook al was het 8 graden, hing rechtsboven een vervaarlijk donkere wolk en was mijn kont al zeiknat van al het water op de weg. Toen het donker werd (moeders, wees gerust: ik had lichtjes mee), steeg mijn stemming nog steeds. Geweldig, die Veluwe in de schemering! Ik ga goede lampen kopen en een klik-reflector! En zo'n fluorescerend hemd! En dan ga ik 's avonds fietsen! En ook 's nachts! Waarom heb ik dat niet eerder ontdekt, fietsen in het donker?

27 oktober 2009

Herfstvuur

Je fietst door het bos en opeens lijkt de wereld in brand te staan. Even geen naaldbomen meer langs de kant van de weg. En ook het lieflijke, geelgroene bladerdek dat net nog opvallend sappig en vol van leven oplichtte in de scherpe najaarszon is verdwenen. Het is nu alles fel oranje en diep donkerrood boven je en naast je. De zon geeft de bladeren een ongekende intensiteit en de weg verandert in een spoor van as in het brandende bos. Je denkt zelfs even te voelen dat het echt warmer wordt, maar de thermometer op je fietstellertje geeft nog steeds 15 graden aan.
Er lijkt geen einde te komen aan de overweldigende zee van stervend blad, die alle denkbare tinten rood en oranje in zich herbergt. En je denkt: wonderlijk, dat de naderende dood het leven zoveel kleur geeft. Alsof het stokken van de sapstromen een voorheen ongekende passie oproept, en de bomen en het struikgewas pas in hun jaarlijkse doodsstrijd alle registers opentrekken. Maar als je even stopt om het herfstvuur van dichtbij te bekijken, zie je dat de strijd eigenlijk al gestreden is: in de grote bladeren aan de struiken zijn gaten gevallen, het vuur vreet zichzelf van binnenuit op.
Een paar kilometer verderop dooft de vlammenzee langzaam maar zeker uit en verschijnen kleinere bladeren aan de bomen, met zachtere kleuren van verval. Links van de weg zie je plotseling een klein, vergeten maïsveldje, ontkomen aan het hakselgeweld, dat elders kale, zwarte velden heeft gecreëerd met vale kruisen als overblijfsels van het machinaal geknakte leven. Maar het slappe, vaalgele loof oogt futloos, alsof het niet weet hoe het op eigen kracht moet sterven. En je fietst verder en denkt: het einde komt voor alles en iedereen anders.

(Deze half-mislukte, melodramatische post zonder clou staat vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden'. 't Is niet anders. En de foto geeft ook al niet weer wat ik bedoel. En ja, dat van dat 'machinaal geknakte leven' heeft u al eerder gelezen, maar de 'Dagblad'-lezers nog niet. Zoals mijn oud-collega Ger van Gelder in dergelijke gevallen altijd zei: Dat loopt dan even zo.)

25 oktober 2009

Zuurstokje en ik

Vanmiddag rond 16.15 uur fietsten zuurstokje en ik allebei tussen Wapenveld en Hattem. Alleen maar toch samen: zonder het te weten reed ik een paar minuten voor haar uit. Zij kwam uit Deventer, ik uit Heerde. Maar we zagen allebei het gat in de lucht boven de IJsselcentrale. En we stopten allebei om een foto te maken. U mag kiezen welke u het mooiste vindt.

21 oktober 2009

In Georgië wordt niet gefietst

Vorige week was ik voor mijn werk in Georgië. Prachtig en fascinerend land met een zeer rijke geschiedenis, maar geen land om een fietsvakantie te houden. Men houdt er daar andere rijgewoontes op na, dat is de voornaamste reden. Als je wilt zien hoe je met een bus op een tweebaansweg een vrachtwagen kunt inhalen, terwijl een volop lichtende tegenligger op hetzelfde moment ook wordt ingehaald door een Audi A6, moet je een autootje huren en van Tbilisi naar Kutaisi rijden. Daar wil je als fietser niet ook nog bij (fietspaden? wat zijn dat?), alhoewel ik juist op die weg toch nog twee fietsers zag rijden (Georgiërs, dat wel). In een week tijd geen ongeluk gezien, overigens. Zoals ik al zei: een fascinerend land.
Een andere reden waarom Georgië geen fietsersparadijs is, zijn de wegen. Nu zagen die er niet allemaal zo uit als nevenstaand straatje in het oude centrum van Tbilisi, maar erg veel onderhoud is er niet meer gepleegd sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. De staat van de meeste straten kwam overeen met die van de huizen en die zagen er bijna allemaal zo uit als op de foto linksboven: prachtig mooi, maar grotendeels vervallen. In downtown Tbilisi zijn maar een paar straatjes vers betegeld. Dat is de 250 meter Sionistraat waar de restaurants en café's voor toeristen staan (maar die komen niet meer sinds de oorlog in Zuid-Ossetië) en de kasseienstrook (minstens 20% stijgingspercentage!) naar het Narikalafort (gebouwd in de 4de eeuw na Christus), waarvan het begin helaas onverhard (en nog steiler) is.
Verval levert mooie plaatjes op, dat wel. Veel mooier dan dat aangeharkte landje van ons, waar een weg wordt afgezet als er ook maar een steentje scheef ligt. In Tbilisi gebruiken ze een gat in het asfalt gewoon als vuilnisbak. Een weekje in een land als Georgië leert je dat wij het onszelf wel erg moeilijk maken met al die overbodige regeltjes. Ik vrees dat volgens onze normen zo'n 70% van de huizen in het oude centrum van Tbilisi onbewoonbaar verklaard zou worden. En dat is dus onzin, wijst de Georgische praktijk uit. Improviseren is een gave die wij helaas verleerd lijken te zijn.
Maar wat doet een mens als hij niet kan fietsen? Overleven en mooie kleren aandoen, naar het badhuis gaan met heerlijk stinkende zwavelbaden, op de president schelden die een protserig paleis neerzette op de hoge oever van de Mtkvari met uitzicht op een Disneylandachtig verlichte tv-toren, met je auto door de stad scheuren, bedelen, lekker eten, wijn drinken die al negenduizend jaar in eigen land wordt gemaakt, een kruis slaan (maar wel van rechts naar links) en bidden in een kerk uit de zesde eeuw na Christus, 2500 jaar oude, gouden sieraden opgraven in Vani, of schedels van mensachtigen van twee miljoen jaar oud in Dmanisi, een luipaard bekijken in de woestijnachtige gebieden in het zuidoosten van Georgië, de 5000 meter hoge reuzen van de Kaukasus beklimmen of op zijn minst zelfgebrouwen bier drinken bij de bergbewoners die iedere gast onthalen alsof hij door God gezonden is, een boerderij drijven op een millennia oud tempelcomplex, aan het strand liggen van de Zwarte Zee omdat het eind oktober nog 29 graden is, geïnterviewd worden door de Georgische televisie.
Ik geef toe: het is een leeg leven, maar je moet toch wat zonder racefiets.

18 oktober 2009

Lopers en fietsers

Zeven jaar geleden liep ik voor het laatst de 4 Mijl van Groningen. Mijn tijd was 30 minuten en 49 seconden. Als u een goed geheugen heeft voor nutteloze feitjes herinnert u zich dat misschien nog. Ik schreef destijds namelijk voor deze krant een verhaal over mijn zoveelste mislukte aanval op de dertig-minutenbarrière. Daar stond onder meer in dat ik, net als in de jaren daarvoor, weer eens ongetraind aan de start was verschenen. En dat ik liep op twintig jaar oude loopschoenen, die veerden als een loden deur, maar wel met een heuse haas in een oranje broek die helaas een stuk sneller was dan ik.
Die haas is nu al zeven jaar mijn vriendin en loopt sinds enkele weken weer hard. Maar ook zij deed zondag niet mee. Zij loopt hard om in het voorjaar beter te kunnen fietsen. Ik zelf heb na die 13de oktober 2002 nooit meer hardloopschoenen gedragen. In de week na die 4 Mijl van 2002 bleek mijn knie namelijk behoorlijk naar de kloten, zoals wij wielrenners dat zeggen. Ik heb in de jaren erna nog wel een boek geschreven over een Groningse hardloper die op zondag 22 oktober 1916 een solomarathon liep (deels over dezelfde route als de 4 Mijl) en in zijn eentje net zoveel toeschouwers trok als de 17.500 lopers van zondag samen, maar dat is een ander verhaal. Ik fiets tegenwoordig en, beste 4 Mijl-lopers, dat is veel leuker en gezonder dan hardlopen.
Je komt verder, je gaat harder, je ziet meer en je gewrichten blijven langer heel (als je niet valt). Op de racefiets heb ik nooit last van mijn knie. Sterker nog: als ik een paar weken niet fiets dan begint die zeven jaar oude 4 Mijl-blessure weer op te spelen. Jammer alleen dat die haas van me ook op de racefiets veel te snel voor me is.
(Deze post stond dinsdag als column in 'Dagblad van het Noorden'. De wellicht wat merkwaardige foto is het uitzicht vanuit mijn hotelkamer in Tbilisi, waar ik afgelopen week verbleef: de reden dat deze post wat verlaat is gepubliceerd.)

10 oktober 2009

Droog

Ook op een dag dat er volgens de weersverwachting 90 % kans is op regen en maar 10 % kans op zon, kun je prima een lekker tochtje in de zon maken. Dat bleek vanmiddag. De weg was weliswaar nat en smerig (de hoezen zijn weer uit de kast gehaald), maar ik heb toch 47 kilometer gefietst (met een profwielrenner) zonder een drup te voelen. Ik heb het dit jaar sowieso nog droog gehouden, wat met 5100 kilometers onder de wielen toch eigenlijk wel bijzonder is. Alleen van het weekje in mei in de Alpen kan ik me een buitje herinneren, maar dat stelde weinig voor. Lang leve de buienradar!

07 oktober 2009

Mossels op de dijk

Op de IJsseldijk, even buiten Zwolle, lagen vanmiddag her en der gebroken mosselschelpen op het fietspad. Die had ik daar nog niet eerder gezien. Nu heeft het water nog niet zo hoog gestaan dit jaar en mossels zijn bij mijn weten niet recentelijk tot landdieren geëvolueerd, dus er was iets anders aan de hand. De meeste mosselschelpen waren verlaten door hun bewoners. Dat zou kunnen duiden op een spectaculaire vorm van versnelde evolutie. Maar hoe goed ik ook keek, nergens zag ik opeens weekdieren op pootjes door het gras kruipen. Het vertrek uit de warme, veilige schaal was niet vrijwillig, zo werd me al snel duidelijk. Er vlogen namelijk opmerkelijk veel kraaien rond de IJsseldijk. Ook zag ik twee torenvalken, een buizerd en een blauwe reiger rondscharrelen. Hier was sprake van een ordinaire schranspartij. Het duurde dan ook niet lang of ik zag dertig meter voor me op het fietspad een kraai die een mossel naar binnen schrokte. Klaarblijkelijk hadden de beesten de mossels uit de IJssel gevist (of waarschijnlijker: uit het slib aan de oevers) en vervolgens van grote hoogte op het fietspad kapot laten vallen om het smakelijke maaltje eenvoudig naar binnen te kunnen werken. Wij mensen mogen dan de enige dieren zijn die zelf gereedschappen kunnen maken, kraaien zijn niet te beroerd om gebruik te maken van onze verworvenheden. Het fietspad als moordwapen, dat getuigt alleen van slimheid maar ook van filosofisch inzicht.

29 september 2009

Zakdoekjes


Nou, da’s dus mooi twee dagen te laat. De NS deelt sinds gisteren papieren zakdoekjes uit tegen de Mexicaanse griep, maar bij mij sloeg het noodlot zaterdag al toe. Keelpijn, hoofdpijn, ontstuitbare snotstromen, spierpijn en ga zo maar verder. De definitieve diagnose is nog niet gesteld (koorts heb ik nog niet of nauwelijks), maar het zou zomaar eens zover kunnen zijn. Eindelijk, zou ik bijna zeggen, zowaar een voorspelling die uitkomt. Nu nog een flinke golf Mexicaantjes in mijn naaste omgeving erover heen en je zou al die economie- en klimaatprofeten ook nog bijna gaan geloven. Maar laten we niet te vroeg juichen, want het kan natuurlijk ook een gewoon verkoudheidje zijn (toegegeven: ik heb zaterdag een fietstochtje naar de Holterberg gemaakt met iets te weinig kleren aan en ’s avonds ook nog tot elf uur in de tuin gezeten).
Niet dat die zakdoekjes overigens veel geholpen zouden hebben, maar het gaat om het idee. Papieren zakdoekjes laat je makkelijker slingeren dan die katoenen (21 procent van ons schijnt die nog te gebruiken; ik ken eerlijk gezegd maar één iemand: mijn vader), waarmee de verspreiding van dat virus eindelijk eens goed op gang kan komen. Hoe dan ook: dat half miljoen zakdoekjes is natuurlijk slechts een afleidingsmanoeuvre, net als die zogenaamde zorg van de NS om de Mexicaanse griep. Kijk maar eens naar de bomen: de blaadjes gaan binnenkort vallen en dan weet je het wel weer. Zoals elk jaar wachten ons treinreizigers gladde rails en vertragingen van iets minder dan een half uur (dan hoeft de NS namelijk niks te vergoeden).
Helaas is dat zo’n voorspelling waarvan je wél zeker weet dat hij uit gaat komen.

(Deze post stond vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden'. Zonder die foto, natuurlijk. Voor de niet-Holterbergkenners onder u: de Motieweg is een stukje Alpe d'Huez in Nederland. Zaterdag naderde ik hem via een landweggetje met de toepasselijke naam 'Helhuizerweg'. Merkwaardig genoeg zie je vanaf daar die hele Sallandse Heuvelrug niet liggen, tot je linksaf, de Motieweg op fietst. En zelfs dan lijkt het niet echt omhoog te gaan. Maar na 200 meter gaf mijn tellertje toch echt 6% aan en na 300 meter 9%. Het is een echte heuvel.)

27 september 2009

Herfstbegin


De kastanjes zijn gevallen, de snijmaïs wordt gehakseld en zorgt voor kale, zwarte velden met vale kruisen als overblijfsels van het machinaal geknakte leven.
39 x 17, je benen malen.

De eerste modder bevlekt de weg, kastanjeschillen zorgen voor vrees voor lekke banden en koude handen - je huivert en ritst je jasje dicht.
39 x 17, je benen malen.

Op het land wordt het gras voor de laatste keer gemaaid en gedroogd, en in de bossen wachten, verscholen achter het dof geworden groen, het eerste rood en bruin en geel geduldig op hun kans.
39 x 17, je benen malen.

Paddenstoelen zo groot als kolenschoppen knallen de grond uit en bij de boerderijen die je passeert zijn de honden massaal op kuitenjacht - de tijd voor fietsers is nu toch echt voorbij is, blaffen ze, maar:
39 x 17, je benen malen.

Je fiets begint te piepen als de 5000 kilometer bereikt is, maar in de felle zon van het herfstbegin wil je doorgaan tot het donker wordt - want je weet dat de jacht op die vogel van licht en lucht nooit stopt.
39 x 17, je benen malen.

(Voor de niet-wielrenners onder u: 39 x 17 is mijn favoriete verzet - 39 tandjes voor, op dat grote tandwiel (mijn middelste) en 17 tandjes achter, op die kleine (mijn op vier na kleinste). Bij honderd omwentelingen per minuut, rij ik 29,6 kilometer per uur en meestal maal ik met een trapfrequentie van tussen de negentig en de honderd.)

De Grôte DaikBoekel


Het tactische plan was sluitend en volmaakt. Ik zou M. ongeveer vijf kilometer voor de finish zogenaamd naar voren loodsen. Op het moment dat we op kop van de koers zouden komen, zou de grote favoriete opeens links omhoog de lucht in wijzen en de kreet slaken: 'Kijk, een giraffe!' Gebruikmakend van de algehele verwarring zou ik er vervolgens op zijn Zoetemelks tussenuit piepen, want een splijtende demarrage heeft er helaas nooit in gezeten. En voordat de overige DaikBoekelaars van de schrik zouden zijn bekomen, zou ik triomferend de handen in de lucht kunnen steken voor mijn eerste en enige wieleroverwinning ooit. Maar helaas. Al na vijf kilometer wedstrijd was het voorbij. 'Morgen wordt het ook mooi weer en dan wil ik graag nog even fietsen', schoot door mijn hoofd, toen de koers na 120 kilometer en groupe net was vrijgegeven. 'Forceren zou zonde zijn.' 'Voel ik daar mijn kuit niet?' 'Misschien kan M. het maar beter zelf afmaken.' Drie van zulke gedachtes verder was ik gelost.
De volgende dag bleek die kuit helaas realiteit, waardoor ik in het Vechtdal een paar pauzes in moest lassen. Zoals bij de schaapskooi aan de Bosweg, aan de rand van het Rechterense Veld. Ik zat op een hekje en kauwde op een banaan, met alleen wat vogels om me heen. En ik realiseerde me dat ik nooit een wedstrijd zou winnen omdat die momenten me meer waard zijn dan welke zege ook.
(Voor wie toch benieuwd is naar de uitslag, hier het persbericht dat de directie van De Grôte DaikBoekel uit deed gaan: 'De Grôte Daikboekel is een koers over 141 kilometer voor 24 mannen en één vrouw, en aan het eind wint Marijn de Vries.')

16 september 2009

Luurt


Vorig jaar juni ben ik, meteen nadat ik de eerste versie van mijn boek Hardloper Huizenga - Het verhaal van een vergeten wonderatleet had afgerond, op de racefiets gesprongen en naar het graf van mijn weerbarstige held gefietst (de ondertitel was destijds trouwens nog 'De man die sneller was dan de trein'). Dat fietstochtje naar Ruinerwold was voor mijn gevoel een mooie afronding van het wordingsproces. Daar kwam bij dat het die maandagmiddag prachtig weer was en ik verlangde na drie weken schrijven hevig naar een ritje zonder woorden aan mijn kop.
Deze week, een half jaar nadat Hardloper Huizenga is verschenen, heb ik een boek naar Luurts graf gebracht. De wind waaide uit de goede richting en op het moment dat ik de begraafplaats betrad begon de zon te schijnen. Ik had een exemplaar meegenomen, ingepakt in plastic en met een persoonlijke opdracht voor de kale botten van de legendarische hardloper. Het ligt nu ergens bij de grijze grafsteen van Luurt Huizenga en zijn vrouw Aaltje Huizenga-Tinholt. Dat leek me een mooie afsluiting van mijn Huizenga-jaar, want eerlijk gezegd heb ik er zo ondertussen wel genoeg van. Een bestseller zal het boek niet worden, ondanks alle aandacht die het heeft gekregen. Maar het is goed zo. Ik schrijf deze week nog een verhaal over de vergeten volksheld voor het historische tijdschrift Stad & Lande en dat is het dan.
Op de terugweg kwam ik - in de stralende zon inmiddels - terecht op een stukje van de kunstroute De Wijk - IJhorst. Langs een stroompje, even buiten De Wijk, zat hoog in de lucht een mannetje een boek te lezen. Nu al, dacht ik. Ik groette Luurt en zette met de noordoostenwind in de rug even flink aan, op weg naar nergens.

15 september 2009

Sam Baker


Een jaar geleden vroeg mijn buurman Klaas me of ik zin had om mee te gaan naar een concert in Deventer. Daar zou ene Sam Baker optreden en dat zou heel bijzonder worden, vertelde Klaas. Ik had nog nooit van Sam Baker gehoord. Nou is Klaas een van de beste mondharmonicaspelers van Nederland en zit het doorgaans met zijn muzieksmaak wel snor, dus ik stemde zonder aarzelen toe. Het weekend voordat we naar het Burgerweeshuis zouden gaan, leende Klaas me de cd Mercy, zodat ik me een beetje kon voorbereiden.
Eerlijk gezegd was ik niet meteen onder de indruk. Goede americana, dat zeker; mooie liedjes ook en ijzersterke teksten. Maar die krassende spreekstem van de Texaanse singer-songwriter – ik vroeg me af of ik dat anderhalf uur zou volhouden.
’Wel een bijzondere stem’, zei ik tegen Klaas. ’Geweldig hè’, vond Klaas, dus ik hield me maar wat op de vlakte. Soms moet muziek in je hoofd groeien.
In het Burgerweeshuis betraden drie mannen het podium. Ze stonden op een smoezelig Perzisch tapijtje, met op een tafeltje vlak achter hen vier flesjes bier. In het midden een grijzende vijftiger, met lang, krullend haar en een gitaar. Dat was Sam Baker. Toen hij begon te zingen was het onvoorstelbaar hartverscheurend mooi. Tussendoor vertelde hij over de bomaanslag van Lichtend Pad, in een trein in Peru, waardoor zijn linkerhand verminkt was, waardoor hij doof werd aan één oor en een hersenbeschadiging opliep die zijn spraakvermogen aantastte.
Het was een van de meest indrukwekkende optredens die ik ooit heb bijgewoond. De breekbaarheid van een mensenleven omgezet in muziek. Morgenavond staat Sam Baker in De Oosterpoort in Groningen. Klaas en ik zijn present.
(Dit niet-fiets blogje staat vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden')

07 september 2009

Dood


Om nog even bij Prediker te blijven: "Niet meer dan de dieren zijn ze, want mensen en dieren treft hetzelfde lot. Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens; ze delen dezelfde adem. Dat is hun beider lot." Het lot van deze egel, die ik zondag zag liggen op de IJsseldijk bij Welsum, kan ook de fietsende mens treffen. Vandaag werd ik daar weer eens mee geconfronteerd op een landweggetje, vlakbij Windesheim. Een gedegenereerde randdebiel kwam me daar in zijn Volvo met ongeveer 120 kilometer per uur tegemoet razen en meende op de hooguit zes meter brede weg zelfs nog even gas bij te moeten geven vlak voor hij me passeerde. Het gebeurde te snel en ik was te verbijsterd om zijn kenteken te noteren, want anders had u dat van me gekregen. En daarbij mijn zegen om de koplampen, alsmede de spiegels, met grof geweld aan gruzelementen te slaan als u de auto ergens zou aantreffen. Maar helaas. Ik meende de achterlijke trekeend achter het stuur - nee, het was geen allochtoon en ook geen jongere; het was een wat oudere, grijze man - zelfs even te zien lachen toen hij me voorbijreed, maar dat kan suggestie zijn geweest. "Niemand heeft macht over de dag waarop hij sterft, geen mens ontvlucht het slagveld van de dood", zegt Prediker. Maar dan toch liever niet op de bumper van zo'n Geert Wilders-stemmende polder-Basjibozoek.
Mijn favoriete dode dieren zijn slangen (natuurlijk). De zomervakantie is niet compleet zonder dode slang onder de wielen. Die op de foto hiernaast is mijn mooiste tot nu toe: een beest van anderhalve meter lang (wie de soort herkent mag het zeggen) op een weg in Piemonte. Ook in Nederland kom ik ze wel eens tegen: twee weken geleden bij Gortel op de Veluwe een kleine ringslang en vorig jaar op de oude Zuiderzeedijk even boven Blokzijl een adder.
De dood fietst mee bij elke tocht die je maakt. Daar kun je moeilijk over gaan doen of bang van worden (en thuis blijven), maar je kunt het ook gewoon aanvaarden. Het leven op de racefiets is te mooi om lang bij de dood stil te staan. Om nog een laatste keer Prediker aan te halen: "Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven."

Gereformeerde luchten


Het zal de dag wel geweest zijn (zondag), en die merkwaardige naam op de kaart (Tempelberg, vlak voor Elshof), en die film die ik vrijdagavond zag (De uitverkorene), en die boerderij met voor alle ramen alleen maar sanseveria’s. Maar het was vooral het licht: dreigende wolkenmassa’s legden een oudtestamentisch blauwsluier over het oer-Hollandse landschap tussen Liederholthuis en Middel. Ik fiets daar om wind-technische redenen bijna nooit, dus ik was extra opmerkzaam; dat zal ook meegespeeld hebben. Ik zag in zondagsrust gehulde landerijen, uitgestrekt en platgedrukt door het machtige, grauwe hemelgeweld. Hier hebben bergen geen schijn van kans en zijn kerken de enige opwaartse tendensen die geduld worden. En ik dacht: gereformeerde luchten.
Heel af en toe brak de zon magistraal door als een kortstondige openbaring van hoop op het uitverkorenschap. En ik zag mezelf in alle nietigheid voortrazen over de smalle wegen, tussen de wateren en het strenge, vruchtbare land. Niks anders om me heen dan lucht en leegte. Waarom doe ik dit eigenlijk, vroeg ik me af, terwijl ik het antwoord al wist: ijdelheid en het najagen van wind.

31 augustus 2009

Viva Drenthe!


We stonden bij Witteveen en zagen het peloton voorbijflitsen in de scherpe bocht aan de voet van de Monte Relus. We waren te laat, de kopgroep was al gepasseerd en na tien seconden was de Vuelta alweer voorbij. Ik herkende nog net Karsten Kroon en mijn vriendin had zowaar Tom Boonen op de foto staan. We stapten op onze racefietsen en bedwongen in de chaos van vertrekkend publiek zelf de platste heuvel op aarde: ruim een kilometer klimmen met een gemiddeld stijgingspercentage van 0 % en pieken tot zeker 0,1 %. We groetten Relus, links van de weg, en liepen bovenop de col vast in de feestvierende massa van Turba Blanca. We draaiden om, daalden af en bedachten pas later dat we een stukje van het bruine plakband dat de top markeerde als souvenir mee hadden moeten nemen.
We fietsten door Wezuperbrug en zagen fenomenale, oer-Nederlandse wolkenpartijen en een verlaten zondagmiddagland waar de Vuelta een verre droom leek. Maar bij Odoorn vonden we de Ronde van Spanje terug, uren voordat het peloton voorbij zou komen. We reden naar boven en belandden in de Boswachterij Exloo op een helse, kilometerslange kasseienstrook die helaas niet in het parkoers was opgenomen. Met geklutste organen bogen we af naar Ees, waar we aangemoedigd door de honderden wachtende toeschouwers, het korte strookje kinderkopjes opfietsten dat wel in Drents Spanje lag. Aan het eind stond een auto van AG 2R tussen de bomen, in afwachting van onheil.
We reden door Exloo en werden op de Hoofdstraat massaal toegejuicht vanaf de terrassen. En we jakkerden door, voor het peloton uit, richting Emmen en we dachten: Viva Drenthe!
(Deze post staat vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden'.)

26 augustus 2009

Bramen


Fietsen appelleert aan onze oerinstincten - ik heb het al vaker geconstateerd. Vandaag roerde de jager/verzamelaar in mij zich. Toen ik over De Dellen reed, kreeg ik ineens een onbedwingbare drang om bramen te plukken. Hup, water uit het bidon, struiken zoeken en plukken maar. Het kostte me twee uur, maar toen was een bidon van 800 ml gevuld. Rode handen, krassen op de enkels, m'n gemiddelde snelheid ver onder de 25, maar de oogst was binnen. Thuis bleek de bramenmassa enigszins ingezakt, maar het was toch nog 500 gram. Zachtjes garen in eigen sap, een halve kilo suiker erbij, aan de kook brengen en - hopla! - twee potten bramenjam klaar. En dat alles uiteraard nog steeds in fietskledij.

25 augustus 2009

Piesporter Berg


Over de Mosel gesproken: ik heb mijn belofte van lang geleden nog niet ingelost. De Monte Beigua en de Mont Ventoux zijn afdoende behandeld, maar de Piesporter Berg nog niet. Dat klimmetje heb ik in de tweede week van juli een paar keer gedaan. Hij is mooi: nadat je in het dorp Piesport de brug over de Mosel bent gepasseerd, schiet ie meteen de lucht in. Vier kilometer en vijf klassieke haarspeldbochten verder ben je boven. Gemiddeld stijgingspercentage: 6,3 %, en hij loopt mooi. Boven wachten prachtige vergezichten over de Hunsrück, dat wonderlijke, uitgestrekte Heimat-land van hoogvlaktes, smalle landweggetjes en uitgestrekte bossen aan de andere kant van de rivier. Een oeroud gebergte dat iets dreigends heeft, alsof er vergeten krachten huizen uit lang vervlogen tijden.
Veel zwaarder dan de Piesporter Berg waren trouwens de klimmetjes in ons vakantieoord Neumagen: de Nuhkopf en de Kapelstrasse. Beide slechts iets meer dan een kilometer klimmen, maar wel tegen gemiddeld 10 %. En wat erger was: met pieken tot (ver) boven de 20 %. Vooral de Kapelstrasse verdient roem. Na een klein afdalinkje halverwege, fiets je opeens tussen de wijnranken tegen een muur van asfalt aan, waarbij je goed voorover op je fiets moet blijven zitten omdat anders je voorwiel los van de grond komt. Na zo'n klim lach je om de Keutenberg.

22 augustus 2009

Fietsen met M.


Vandaag voor het eerst sinds De Val weer eens met mijn lieve vriendin M., de topsportster, gefietst. Nou ja, afgezien van die tochtjes langs de Mosel in de vakantie dan. Maar die tellen eigenlijk niet mee, want toen reed M. met een arm in een mitella, op een fiets met terugtraprem. Ze vroeg in Duitsland zelfs een paar keer, licht chagrijnig, of ik niet zo hard wilde fietsen. Dat bestaat natuurlijk niet in de echte wereld.
Maar goed, vandaag gingen we via De Dellen naar Elburg en vandaar langs het randje van de Noordoostpolder naar Kampen. Op dat randje had ik nog nooit gefietst. Het bleek zowaar een mooi fietspad te zijn met veel bos en nog redelijk wat afwisseling. Dat was niet in overeenstemming met mijn beeld van de polder tot nu toe: lange rechte wegen met eeuwige wind tegen. "Wat fiets je hard", zei M. op een gegeven moment. "We rijden gemiddeld 29 per uur!" Het was me zelf ook al opgevallen. Ik rij dit jaar weer wat harder dan vorig jaar. Dat zal wel door al die bergen en kilometers komen.
Elk jaar ga ik gemiddeld een kilometer per uur harder. Als die progressie zich voortzet, word ik op mijn 62ste toch nog wereldkampioen bij de profs.

19 augustus 2009

4000 kilometer


Op 25 januari zat ik voor het eerst in 2009 op de racefiets. Het was steenkoud en ik maakte de fout om meteen 70 kilometer te gaan fietsen. Ik herinner me dat ik op de terugweg langs het Apeldoornse kanaal mijn voeten bijna niet meer voelde. Vandaag rondde ik de kaap van 4000 kilometer tijdens een prachtige tocht van 126 kilometer van Zwolle, naar Wezep, via Oldebroek naar Elburg, langs het Veluwemeer naar Harderwijk, via Heerden, Leuvenem, Garderen, Elspeet, Vierhouten en Gortel de Veluwe over en vervolgens door naar de IJssel via Emst, Nijbroek en Welsum. Bij Veessen met het pontje naar Wijhe en vervolgens terug naar Zwolle. Ja, je leert je land wel kennen als je op de racefiets zit.
In Garderen was de 4000 bereikt (een persoonlijk fietskilometerrecord) en ik staarde in het water bij het kasteel om even stil te staan bij het heuglijke feit. Alhoewel, wat bezielt een mens om zoveel op de fiets te zitten? Okee, het kan erger: J. reed vorig jaar in twee maanden 8000 kilometer, maar hij had een duidelijk doel. Wat is mijn doel? Is het ondertussen geen verslaving aan het worden? Of een obsessie? Afgelopen zondag was het mooi weer en ik voelde me bijna schuldig dat ik niet ging fietsen, terwijl ik de twee dagen ervoor twee keer 80 kilometer had gefietst. Idioot.

Column DvhN: Griep

Het is zo langzamerhand wel te hopen dat die Mexicaanse griep ook daadwerkelijk flink gaat toeslaan. Zo niet, dan krijgen we volgend jaar ongetwijfeld ook nog een parlementair onderzoek naar de honderden miljoenen die in de farmaceutische industrie zijn gepompt onder het mom van voorzorgsmaatregelen. Ik word zo langzamerhand een beetje moe van die griep (nee, geen zorgen: nog geen koorts of spierpijn). Vooralsnog is het niet meer dan een zomerhype. Maar wat niet is kan nog komen, natuurlijk. Dat is doorgaans het probleem met de toekomst; die laat zich nu eenmaal niet voorspellen. Dat blijkt niet alleen uit de steeds veranderende inschattingen rond de risico’s van de Mexicaanse griep. De wekelijks wisselende voorspellingen over wat de economische crisis ons brengen moge, vormen momenteel de meest lichtende voorbeelden van de onzinnigheid van het koffiedik kijken.
Verbazingwekkend genoeg blijven we al die profetieën steeds maar weer uiterst serieus nemen, ook al blijken een week later de feiten toch weer net even anders te liggen. Volgens mij komt dat omdat we tegenwoordig, in onze hoogontwikkelde westerse wereld, niet meer willen accepteren dat we niet overal grip op hebben. Terwijl we in vroeger tijden ons lot in handen legden van de voorzienigheid – al dan niet met een hoofdletter – is nu de maakbaarheidsgedachte de dominante levenshouding. We denken alles te kunnen rationaliseren, oplossen en voorspellen, of het nu om de griep, de economie of het klimaat gaat. Ook al blijkt dat keer op keer een illusie en stuiten we steeds weer op onze beperktheid.
Misschien was het idee van de V/voorzienigheid toch zo gek nog niet. Het is in elk geval een stuk goedkoper en bespaart ons een hoop onzin.

16 augustus 2009

Dreuge boonties


Het is weer de tijd van de kalebassen. Een grote voor 1,50 of drie kleintjes voor een euro. Langs de wegen verschijnen de eerste rekjes met de oogst van particuliere kwekers. Het is ook de tijd van het manshoge snijmaïs. Het landschap verandert er door en niet louter ten goede. Want door die maïs gaat alles op elkaar lijken. Gisteren fietste ik met storm in de rug door het Vechtdal, bij Dalfsen omhoog naar Pieperij, vandaar naar Nieuw Moscou, en daarna verder omhoog naar Sleen. Landschappelijk passeer je dan heel verschillende streken maar door de eeuwige maïsvelden is de aarde overal bedekt met dezelfde groene gloed.
Bij aankomst in Sleen merkte ik dat het ook weer tijd is voor dreuge boonties. Althans: de boontjes worden weer gepunt aan draadjes geregen om op zolder te drogen. Zodat we in december weer aan de dreuge boonties kunnen, met grote stukken vet spek en sappige dikke worst. De maïs is dan allang tot veevoer vermalen, maar voor fietstochtjes van Zwolle naar Sleen is het dan helaas te koud. En zo is er altijd wel wat.

11 augustus 2009

Nederland


Nederland is het meest Nederlandse stukje Nederland. Ik was er zondagmiddag voor het eerst in mijn leven. De maximumsnelheid is er dertig kilometer per uur en je mag er niet parkeren, zag ik toen ik op de racefiets Nederland binnenreed. Verder kan ik u melden dat er een kunstenaar in Nederland woont, er is een rietdekkersbedrijf, er staan een paar prachtige oude boerderijen en er woont iemand die erg van hortensia’s houdt. Ook staat er binnen de grenzen van Nederland een ooievaarsnest. De vermoedelijke bewoner daarvan zag ik net buiten Nederland in een weiland naar voedsel zoeken.
In Nederland en omgeving is erg veel water, waarin momenteel de lelies welig tieren. Er zijn ook erg veel bruggen, die zondag om de haverklap openstonden. De pleziervaart is in Nederland namelijk heel populair, zoals overigens ook het wandelen en fietsen. Gevoetbald wordt er op zondagmiddag gelukkig niet zodat er een weldadige rust heerste tijdens mijn korte bezoek. Het was wel donker in Nederland, door de dreigende luchten waaruit heel af en toe een enkele druppel viel. Het kon de pulletjes in het slootje naast de rietschoven niet deren, net zomin als de jonge katjes die even verderop over een erf dartelden.
Nederland - u komt er door bij Nijeveen richting De Weerribben te gaan - is een bijzonder oord. Het is het enige buurtschap in Nederland met oranje letters op de plaatsnaamborden. En taalkundig gezien voorziet Nederland de meervoudsvorm in onze koninkrijksnaam van een logische basis. Zonder Nederland geen Nederlanden.
(Deze post stond vandaag als column in 'Dagblad van het Noorden')

05 augustus 2009

De Heuvel van Hankate


Even voorbij Hankate, in de richting van Hellendoorn, doemt links van de weg een mysterieuze heuvel op. Momenteel is hij begroeid met maïs, maar 's winters ligt hij dreigend zwart een heuvel te wezen. Elke keer als ik er langs fiets verbaas ik me weer over die heuvel en vraag ik me af welke verhalen er in de volksmond de ronde doen over deze puist in het landschap. Ik vermoed dat er op de top ooit heksen zijn verbrand en het zou me erg tegenvallen als er niet eens iemand vermoord is of anders toch op zijn minst verkracht. De vrouwen van Hankate, Elen en het buurtschap Rhaan fietsen altijd zonder omkijken hard door want die eeuwenoude duivelsheuvel brengt bij sommige mannen onbedwingbare oerdriften naar boven... Nou ja, zoiets dus. Vanmiddag ben ik er gestopt om een foto van die duivelsheuvel te maken. Er graasde een koe op het weilandje voor de klim en door het maïs liep een pad naar de top (toegegeven, de hoogte komt er niet echt uit op de foto). Op de kaart zag ik dat het niet de Heuvel van Hankate of de Duivelsheuvel heet maar de Rhaanderesch. Hij is 19,5 meter hoog. Ik vind Rhaan maar een rare naam.

En nu iets heel anders

De Mopperlog-lezers (waren het er nou vier of vijf?) zijn gewend om hier ook de columns die ik voor Dagblad van het Noorden schrijf terug te vinden. En die gaan niet altijd over fietsen, zoals deze, die onder het kopje 'Tomtom' gisteren in de krant stond:
"Grote afwezige bij de opsomming van vakantie- ergernissen, zaterdag in deze krant, was natuurlijk de Tomtom. Lange tijd heb ik dit helleapparaat uit de auto weten te weren, maar begin dit jaar kwam het navigatiemonster op uitdrukkelijk verzoek van mijn vriendin dan toch aan boord. Helaas bracht een Vlaams sprekende dame ons inderdaad een paar keer op de plek van bestemming, zodat ik vergat wegenkaarten mee te nemen toen we begin juli op vakantie gingen. Dat hebben we geweten.
Het begon al in Duitsland toen het apparaat ons 88,7 kilometer voor de plaats van bestemming de Autobahn af wilde hebben terwijl ik toch bijna zeker wist dat onze eerste pleisterplaats náást de snelweg lag. Maar goed, zo’n ding zal het wel beter weten, denk je dan en dus tuften wij vele kilometers over smalle weggetjes door de Vulkaaneiffel met de ene wegopbreking na de andere. Toen we later doorreisden naar Italië stond er een file voor de Gotthardtunnel dus dachten we: we gaan gewoon de pas over. Helaas dacht Tomtom – wie heeft trouwens die belachelijke naam verzonnen? – daar anders over. Die liet ons afbuigen naar de Furkapas en stuurde ons vervolgens naar de autotrein onder de berg door, in de richting van een enorm drukke, bochtige tweebaansweg in het Rhônedal, waarbij we om de vijf kilometer door een dorpje kwamen waar je maar vijftig mocht.
Dat we daarna ook nog ónder de Simplonpas door moesten, verbaasde me allang niet meer. Ik had mijn luidruchtige woordenwisselingen met de Vlaamse dame allang gestaakt, volledig murwgeslagen. Wat we later in Italië nog meemaakten met Tomtom zal ik u besparen. Maar het is een wonder dat we nog leven."

03 augustus 2009

De wijde blik


Hoe opener het landschap, hoe wijder de blik. Dat viel me zaterdag weer eens op toen ik een tochtje van 100 kilometer maakte over de Veluwe en langs de IJssel. Op de heenweg, door en langs de bossen, was ik ook in mijn hoofd vooral met fietsen bezig, maar toen ik bij Emst de Veluwe verliet en richting Terwolde fietste, dacht ik vooral na over God. Het kan ook de cadans zijn geweest die de geest verruimde, maar ik denk dat het meer met de open luchten en de weidsheid van het landschap te maken had.
Dat van God zal ik uitleggen. Ik lees momenteel (al een paar maanden trouwens, het is taaie kost) De brief aan de Romeinen van Karl Barth, een van de bekendste theologische werken van de vorige eeuw. Een van de stellingen van Barth is dat God principieel onkenbaar is en radicaal anders. Ons voorstellingsvermogen schiet volledig tekort als het over God gaat. Barths Godsbeeld spreekt me erg aan. Het impliceert namelijk dat wij niks zinnigs kunnen zeggen over God en dat ook de benaming 'God' eigenlijk een zwaktebod is. God breekt hooguit in in ons leven, waardoor we een glimp op kunnen vangen van Hem (of is God Het?, of allebei en geen van beide? God als persoon zien, is ook weer zo'n inkapselende antropomorfisering van het/de Onzegbare, net als al die hoofdletters trouwens).
Geloof jij dan in het bestaan van God, zou u zich nu kunnen afvragen? Nou, ik geloof vooral in de beperktheid van de mens en kan heel slecht tegen mensen die denken de waarheid in pacht te hebben (of die waarheid nu religieus dan wel wetenschappelijk beargumenteerd wordt). Eén van de belangrijkste lessen van de evolutietheorie is volgens mij namelijk de principiële beperktheid van het dier mens. Wij denken wel alles te weten en dat we de wereld naar onze hand hebben gezet en de natuur bijna overal in cultuur hebben gebracht, maar vertel dat maar eens aan de vlieg die u 's nachts uit uw slaap houdt. Hij lacht u vierkant uit (tenminste, als hij een mens zou zijn). Ik wil maar zeggen: insecten zijn in evolutionair opzicht een oneindig meer succesvolle soort dan de mens en zij zullen ons ruimschoots overleven. En ze zijn niet de enige.
Maar wat ik bedoel is dit: er is oneindig veel dat ons begrip te boven gaat. Leven, dood, het begin, de eeuwigheid, de ervaringswereld van de mug, en die ontelbaar veel miljoenen '...'-en waar we niet eens een naam voor hebben omdat we hun bestaan niet waarnemen - we weten er niks van en die zo veelgeprezen Ratio van ons (die overigens ook maar een afgeleide van ons gevoel is, maar die ons toevallig de laatste eeuwen zoveel evolutionaire voordeeltjes heeft opgeleverd dat we hem als God zelve zijn gaan beschouwen) kan ons daar ook niet bij helpen. En voor al dat onzegbare is God nog niet eens zo'n gekke benaming. En laat ik het maar gewoon toegeven: waar ik er lange tijd van overtuigd was dat dit leven en deze wereld vooral een toevallig product van blinde evolutie waren, ben ik daar nu niet zo zeker meer van. De gedachte dat er een sturend 'Iets' is, komt me tegenwoordig toch iets waarschijnlijker voor, al denk ik dus wel dat dat Iets zich radicaal aan ons begripsvermogen onttrekt en we er dus niks zinnigs over kunnen zeggen.
Dat schoot door mijn hoofd in het weidse IJsselland. Maar ik dacht daarnaast natuurlijk ook aan mijn gemiddelde snelheid. Die lag zaterdag namelijk op 28,9 km per uur, wat ongekend hoog is voor mijn doen. Dat is dan de invloed van die Mont Ventoux weer. Enfin, tot zover.

30 juli 2009

Waarom?


Waarom fietst een weldenkend mens de Mont Ventoux op? Die vraag stelde een documentairemaker vorige week toen wij boven aankwamen bij het weerstation. Veel antwoorden kreeg hij niet. Is het de midlifecrisis? Extreme bewijsdrang? Een reiken naar de hemel? Of zijn we gewoon allemaal gek? Volgens mijn medefietsers B. en W. is er in ieder geval niks mythisch aan. Ik denk dat ze ongelijk hebben. Tegen een berg op fietsen is volgens mij juist één van de meest zuivere vormen van het klassieke heldenverhaal in het leven van de moderne, Westerse mens. Zoals ik hier al eens eerder heb opgemerkt appelleert fietsen (net als op vakantie gaan) volgens mij aan een oerdrang die in elk mens zit en die de evolutie van onze soort tot een succesverhaal heeft gemaakt (dat we ook aan ons succes ten onder gaan is weer een ander verhaal): de drang naar nieuwe horizonten en het verleggen van grenzen. Dezelfde drang die onze voorouders tienduizenden jaren geleden Afrika deed verlaten, onze gemeenschappelijke oermythe. Die mythe gaat over het veroveren van nieuwe leefgebieden, maar ook over ontdekkingsreizen naar onze ziel. Analoog aan de held in het klassieke epos, die veranderd is als hij na zijn omzwervingen weer thuiskomt. Of, om het bijbels te formuleren: "Hij doet ons dwalen opdat wij weten wat het betekent om thuis te komen." Toegegeven, dat gefiets is een armzalig alternatief voor een echte zoektocht, maar je moet toch wat als je alles al hebt.

29 juli 2009

Tijd en ruimte in de bergen


De Mont Ventoux dus. Met mijn tijd van 1 uur 47 minuten en 45 seconden was ik mijn medefietsers/-columnisten W. en B. respectievelijk ruim 5 minuten en 1 uur en 12 minuten te snel af (W. verzwijgt op zijn site natuurlijk niet voor niets mijn tijd). Een glorieuze overwinning van Dagblad van het Noorden op NRC en de Volkskrant derhalve. Maar wat me meer verbaasde was wat zo'n berg doet met je gevoel van tijd en ruimte. Je ziet het doel van je tocht al liggen als je op de fiets stapt en dat fietst heel anders dan zo'n ritje naar Kampen. Terwijl de top heel dichtbij lijkt en je ervaring van ruimte dus sterk vernauwt, tikt de tijd op zo'n klim veel langzamer. Een tochtje van twee uur over de Veluwe ervaar je alsof het in een scheet en een zucht voorbij is. Maar die zeven kwartier omhoog duurden maar en duurden maar, terwijl de klim me toch echt enorm meeviel en het eigenlijk wel makkelijk ging.
De beklimming van de Monte Beigua in Italië, die ik twee weken geleden in 1 uur en 20 minuten opfietste, leek veel langer te duren. Daar wist ik niet waar de top lag. In de hitte ploeterde ik 14 kilometer, bocht na bocht, door een dicht bos over slechte wegen met afwisselend grind, gaten, steenslag en plakkend nieuw asfalt, met sterk wisselende stijgingspercentages (nu eens 7 procent, dan 14 en dan weer 10). Pas in de laatste kilometer zag ik de top liggen, waar je vanaf 1249 meter hoogte over de Middelandse zee uitkijkt. Als je het eindpunt niet ziet, stroomt de tijd nog stroperiger.
In de bergen klinkt de ruimte in en strekt de tijd zich uit. Raar eigenlijk.

28 juli 2009

Als de Mont Ventoux in Kampen lag


Stel dat. Dan zou de startstreep niet na een rotonde in Bedoin liggen maar op de Nieuwe Markt in Zwolle, ter hoogte van café De Hetebrij. Dan voelde je de klim echt in de benen slaan als je net de IJsseldijk was opgereden en aan de overkant het kerkje van Zalk zag naderen. Dan zou je even later bij de badende Schotse hooglanders Het Bos in rijden waar het echt steil werd en je langzaam maar zeker je ritme vond. Dan zou het oude kerkje van Wilsum Chalet Reynard zijn geweest, waar je vleugels kreeg en opeens 14, 15 km per uur op je teller had staan. Dan zou het monument voor Tom Simpson midden op de IJsselbrug hebben gestaan, daar waar nu een bankje een rustplaats biedt aan vermoeide wandelaars. Dan zou het na de brug 11 procent omhoog gaan naar het weerstation, waar je bijna vastliep in een file van auto's en trage fietsers en je noodgedwongen de laatste bocht binnendoor moest nemen. En dan zou de top van de Mont Ventoux een van de vele kerken zijn, waar je na 1 uur, 47 minuten en 45 seconden zou aankomen.
Geen slechte tijd voor een zoektocht naar God en de eeuwigheid.

04 juli 2009

Drie weken vakantie


Na een laatste, mislukte toer door het Vechtdal met zwaar zuchtende koeien, snel oprijzende maïsvelden, krijsende jonge ooievaars en een surrealistisch belicht bos vertrekken we morgen naar Neumagen. Hectoliters Riesling en biologische, Piemontse lekkernijen zullen een dreigende voorhoofdsholte-ontsteking en een vooralsnog matige conditie moeten ombuigen naar een glanzende vorm voor de beklimming van de Winderige Berg. Over ruim drie weken leest u hier en hier, deo volente, de resultaten. Auf wiedersehen! Ciao! Aju!

02 juli 2009

Hooglanders in de IJssel


De snotstromen zijn tot stilstand gekomen. Hoog tijd voor een trainingsritje om de conditie te testen, want er wachten de komende tijd de nodige klimmen. Volgende week oefenen op de Piesporter Berg, een week later iets meer uitdaging op de Monte Beigua om tot slot over drie weken de Mont Ventoux in twee uur op te kunnen fietsen.
Het prachtige rondje Zwolle-Kampen-Zwolle over de IJsseldijk leidde tot drie observaties: 1. niks is met de macht (26,5 km per uur gemiddeld is normaal), 2. mannen die ziek zijn stellen zich aan (zie 1.), 2. waarom zou je eigenlijk op vakantie gaan (veel mooiere beelden dan de Hooglanders in de IJssel bij Zalk zullen we in Duitsland, Italië en Frankrijk niet aantreffen). Morgen nog even een groter rondje en we reizen zondag met een gerust hart af naar de Mosel.

30 juni 2009

Juni


Het voordeel van een licht onwelbevinden (de opgezette klieren, de spierpijn en het snot zijn nog steeds niet weg) is dat je opeens zeeën van tijd hebt om te lezen. Fietsen is ook niet alles, zo blijkt maar weer. Vandaag vierde ik vakantie in eigen tuin met Juni van Gerbrand Bakker. De roman is massaal afgekraakt door de critici (op een enkele uitzondering na) maar mijn lieve vriendin M. was er erg over te spreken. Bovendien heb ik ooit Bakkers debuutroman Boven is het stil gerecenseerd voor Dagblad van het Noorden. Dat vond ik destijds een fantastisch boek en ik was dan ook erg benieuwd naar Juni. Welnu, ik ben inmiddels halverwege en kan niet anders dan concluderen dat Juni ook een roman is waarvoor het lastig superlatieven vinden is. Mijn gewaardeerde collega Joep had dat ook al geconstateerd in die ene positieve recensie die over Juni is geschreven.
Boven is het stil noemde ik in maart 2006 'een stilistisch wondertje', met onder meer als motivatie: "De beschrijvingen zijn onopgesmukt en de dialogen kort en kaal. Beschouwingen over het leven of poëtische stijlbloempjes vind je niet in Boven is het stil. Wel zinnen als: "Moeder was een ongehoord lelijke vrouw." Of: "Ik poep twee keer per dag. De eerste keer vlak na het melken, de tweede keer na de koffie." (...) Het knappe van deze roman is dat het onder de onbewogen, kale oppervlakte borrelt en kookt van emoties en onuitgesproken verlangens, die echter nergens hardop worden uitgesproken. Het komt ook nergens tot een uitbarsting, hetgeen de suggestieve kracht alleen maar vergroot. Daardoor is het ondanks alle soberheid toch een buitengewoon ontroerend boek geworden waarin, onuitgesproken, heel veel levenswijsheid en poëzie wordt opgeroepen."
Voor Juni geldt precies hetzelfde, maar dan nog net iets subtieler en weergalozer. Ik denk dat ik er inmiddels ook achter ben waarom de grachtengordelrecensenten daar anders over denken. In Juni wordt gesproken en gedacht zoals 60 procent van de Nederlanders praat en denkt, namelijk dat deel van de bevolking dat op het platteland of in een dorp woont of is opgegroeid. En ik vrees dat de hedendaagse grachtengordelmens (meer specifiek de ondersoort grachtengordelrecensent) zich daar geen voorstelling meer van kan maken. Die heeft zich verschanst in zijn stadse veste, waar - zo blijkt uit al die elkaar na kakelende een- of tweesterrenrecensies - het provincialisme al enger en enger wordt. Triest.

28 juni 2009

Ziek

Prachtig fietsweer (lekker zweterig), vier weken vakantie en zeeën van vrije tijd. De Vecht roept, de Lemelerberg schreeuwt om aandacht en dat bankje op de dijk even buiten Veessen vraagt zich af waar ik blijf. Helaas. Ik zit thuis en niet op mijn fiets. Spierpijn, opgezette klieren, hoofdpijn, wagonladingen snot in de keel. Lekker is dat.

24 juni 2009

Off-day


Soms wil het niet. En heel soms wil het helemaal niet. Pap in de benen, tegenwind, zijwind, pijn in de kuiten. Vandaag was zo'n dag. Prachtig weer, maar het ging niet. Naar Dalfsen geweest, naar Ommen, naar Vilsteren, langs de Vecht. Zelfs met wind mee kwam ik nauwelijks boven de 25 km per uur. Ik had eigenlijk ook helemaal geen zin. En als je dan ook nog een scootmobiel inhaalt en er gedachten opkomen als 'Zo zal ik over 35 jaar ook wel over de wegen razen', dan krijg je dus als eindresultaat: 63 km met een gemiddelde van 23,5. En nergens een trein te bekennen.

23 juni 2009

Toverrijst


Zolang die columns in Dagblad van het Noorden over eten gaan, misstaan ze niet zo op dit blog. Maar of toverrijst nu zulk goed wielervoedsel is... Dit is in ieder geval voorlopig de laatste column die hier te lezen zal zijn, want vanaf volgende week ben ik vier weken vrij van de krant. Maar wees gerust, de 'Job fietst'-bijdragen gaan nog twee weken door, want door 'omstandigheden' (zie Marijn fietst) zijn we nog lang niet op weg naar vakantieoorden.

21 juni 2009

Italiaanseweg

Een Vlaamse klim is het, ook al heet hij de Italiaanseweg. Gisteren sloeg hij venijnig in de benen, na 137 kilometer koers. Het bordje van de Jan Janssen Classic wees opeens naar rechts, het bos in. Ik zat net een paar kilometer comfortabel aan de staart van een groepje dat 32, 33 km per uur reed. Lekker uit de wind. Maar in dat bos zag ik alleen maar modder. Na een paar meter kwamen de eerste steentjes te voorschijn en langzaam rees uit de modder een klinkerpad op dat zich omhoog slingerde. Het was aardedonker in het bos, al kwam dat waarschijnlijk ook omdat ik mijn zonnebril nog op had. Het groepje waarin ik fietste, spatte uiteen. En weer bleek ik best aardig omhoog te komen, al duurde het bij de Jan Janssen Classic wel een kilometer of negentig voordat het klimmen echt goed ging. Ik ben een diesel en moet het hebben van de steile stukken. Onder de vijf procent ben ik een pannenkoek. Maar goed, de Italiaanseweg dus. Aangelegd in 1848 door een baron, als verbinding tussen zijn kasteel en het station van Wolfheze. Hij schijnt zo te heten vanwege zijn Italiaanse uiterlijk met haarspeldbochten en dergelijke. Het was een van de 38 klimmetjes van de Jan Janssen Classic, die bij elkaar opgeteld 1500 hoogtemeters opleverden. Twee keer Alpe d'Huez en dat op nog geen uurtje rijden van huis.

14 juni 2009

Zondagmiddag in Wilsum


Hoe weidser het uitzicht, hoe meer je met jezelf geconfronteerd wordt. Dat viel me vanmiddag weer eens op, gezeten op een bankje bij Wilsum op de IJsseldijk. Ik at een Snelle Jelle en bedacht me hoezeer ik in mezelf zit opgesloten. Net als die rondzoemende bij die een korenbloem besnuffelde, de wandelaars in de verte, en de lammetjes onderaan het talud. Allemaal levend in hun eigen wereld. Allemaal ingeperkt door wat ze met hun ogen, oren, neus (heeft een bij een neus?) en tastzin kunnen ervaren en het zenuwstelsel waarmee ze die ervaringen verwerken en waaruit hun handelen voortvloeit. En ik moest denken aan mijn vriend Reinier, die onlangs een debat voerde met de Verlichtingsfundamentalist Floris van den Berg, die denkt dat voor ons mensen de rede leidend zou moeten zijn en die religie ziet als een ziekte.
Reinier is theoloog, filmmaker, boekenschrijver, nog veel meer, en ook christen. Wij praten wel eens over God, Jezus, geloof, evolutie en andere zaken (muziek, lekker eten). Ik ben geen christen, althans ik zou nooit de verklaring ondertekenen waar Reinier zijn handtekening onder heeft gezet. Ik geloof wel dat de kennis die wij als mensen kunnen opdoen, beperkt is door wie en hoe wij zijn. Wij zitten allemaal opgesloten in onze leefwereld en over wat daarbuiten nog is, weten we niks. De wetenschap heeft onze leefwereld de laatste eeuwen flink opgerekt, maar er is een noodzakelijke grens die voortkomt uit de natuurlijke beperkingen van het dier 'mens' dat we nu eenmaal zijn. Net zoals een lammetje zit opgesloten in zijn lammetje-zijn en de bij in zijn bij-zijn (de bioloog Jakob von Uexküll heeft daar een prachtig boek over geschreven).
Twijfel is daarom ons eeuwig lot. Ik kan dus niet zo goed tegen mensen die denken dingen zeker te weten, zoals Floris. En mensen die rotsvast geloven in de ratio als onfeilbare bron van ons handelen, vind ik dom en gevaarlijk. Laat Floris e.c. maar eens logisch verklaren waarom ik vanmiddag op de fiets stapte. Ik weet het niet. Misschien omdat fietsen verslavend is en omdat ik gisteren maar een kort ritje had gemaakt. Maar ik had net zo goed voor de tv kunnen blijven hangen om na de Dauphiné Liberé ook de tweede etappe van de Ronde van Zwitserland te bekijken (waarom doen mensen dát überhaupt?). Ik twijfelde, maar iets in me (de rede was het niet) deed me besluiten toch een rondje Kampen te doen over de IJsseldijk. Maar waarom ging ik zitten op dat bankje bij Wilsum? En waarom begon ik te piekeren over die weidsheid en mijn eigen nietigheid? Daar had ik gisteren tijdens een tochtje door het Vechtdal geen last van. Toen keek ik naar de bloempjes (zie foto) en was mijn enige gedachte: 'Ben ik op tijd thuis voor de slotklim in de Dauphiné?'
Tot zover.

13 juni 2009

Oranje


Denk nu niet: 'Aha, hij is dus blij met Oranje.' Dat hele Nederlands elftal interesseert me geen lor. Ik kijk zelfs niet meer naar de interlands. En dat terwijl ik vroeger al 's middags op de bank klaar zat, bibberend van de spanning. (Maar goed, als die lapzwansen op het WK gaan presteren, komt dat wel weer terug. Zo ben ik ook wel weer). En nee, ik ben ook geen Rabobank-fan. Het heeft ook niks te maken met mijn fietstochtje van afgelopen woensdag langs Paleis het Loo in Apeldoorn. Of met die vermaledijde Naald aldaar. Het is veel simpeler. Ik hou gewoon van de kleur oranje. Mijn bureaublad is oranje, Orange was mijn favoriete frisdrank, ik heb een oranje Brompton, aan de muur hangen oranje schilderijen en mijn moeder breide vroeger oranje truien voor me. Over mijn moeder gesproken: die heb ik dus woensdag op de fiets opgezocht in Apeldoorn, alwaar zij met haar drie zusters op stap was (zie foto). Op de terugweg kwam ik tussen Elspeet en Gortel zowaar op een stukje Veluwe waar het compleet stil was: er stond geen wind, er was geen mens (de weg werd opeens onverhard, vandaar) en alleen een enkel vogeltje zorgde af en toe voor wat achtergrondgeluid. Stilte kan oorverdovend zijn.

09 juni 2009

Zoute haring

Kijk, hier gaan de zaken dus door elkaar lopen. Nu kan ik natuurlijk vertellen dat ik vroeger - lang geleden, toen ik nog in Groningen woonde - op mijn fietstochtjes door het Hogeland altijd stopte in de haven van Zoutkamp om een broodje haring te eten, maar dat is toch een wat geforceerde link met mijn column die vandaag in Dagblad van het Noorden stond. Alhoewel, vorige week maandag heb ik in de haven van Blokzijl ook nog een broodje haring weggewerkt tijdens mijn fietstocht (zie Muggenbeet). Zout en vet, altijd goed wielervoer voor magere mannetjes. Nou ja, hier is ie:

Column DvhN: Zolte heern
Alleen met het mondgevoel heb ik nog wel eens moeite. Dat ligt aan de substantie, die is me eigenlijk wat te week en te glibberig. Alsof er plotseling een extra tong in je mond zit. Nou is dat niet per se vervelend, maar wel als je geacht wordt het troepje ook nog te vermalen en door te slikken. Vooral de wat oudere, stijvere exemplaren kunnen zó ronduit smerig zijn dat de kale consumptie ervan kokhalsneigingen oproept. Daarom eet ik hem bijna nooit zonder uitjes. In combinatie met de knapperige, frisse aanbeet van een gesnipperde siepel zijn de zachte, glijerige structuren veel beter te pruimen. Nog los van de smaakversterkende werking, natuurlijk. Mijn theorie is dat door de prikkeling van de ui de neus gaat openstaan en de geur belangrijker wordt in de smaaksensatie. En zout, scherp en sterk gaan natuurlijk heel goed samen. Maar het liefst heb ik hem op een broodje. Zo’n zacht, wit puntje, bij voorkeur kakelvers. Dat mengt goed, veel beter dan roggebrood (vieze gewoonte, die zwarte korrels met veel te veel smaak van zichzelf, onder dat zachte, zilveren huidje). De kleverige massa die overblijft na een paar happen met wittebrood en wat herkauwen mag dan wat plakkerig zijn, maar door de droogheid van het brood is de ergste tongglibberij geneutraliseerd en kan het grote genieten beginnen. Als het broodje ook nog warm is, waardoor de kou (een serieus probleem!) wordt verdreven, dan is het paradijs nabij. Desondanks schijnen er mensen te zijn die alleen al bij de gedachte aan deze hemelse heerlijkheid gruwen. Zij moeten maar eens luisteren naar Allenig III van Daniël Lohues: "Lust joe gien zolte heern? Nooit stoppen met probeern."
Eet smakelijk!

04 juni 2009

De Franse Alpen, slot: geen Galibier


Het is zaterdag en warm. Ze willen de Galibier op, maar je hebt geen zin in drukke wegen met motorrijders. Dus sla je in je eentje af, richting La Berarde, een doodlopend dal dat, denk je, geleidelijk stijgt naar 1750 meter. Niks geleidelijk. Na het dorpje Venosc gaat het 10 % omhoog. Kale rotswanden, links een ravijn dat steeds dieper wordt en dreigende luchten. Als het gaat regenen, keer je om. Geen zin in glijpartijen met zulke afgronden in de buurt. Dan dat andere balkon maar, richting Villard Reculas, en je gaat bij Bourg d'Oisans opnieuw omhoog naar Alpe d'Huez, 15 van de 21 bochten. Drukkend warm, loodzwaar en geen tempo. Maar eenmaal boven wacht een prachtig, smal weggetje van Huez naar Villard Reculas, een dorpje met 57 inwoners. En dan de lange afdaling door de zwijgende bossen naar Allemont. Je gaat van 1500 naar 700 meter hoogte en komt in die vijftien kilometer geen enkele tegenligger tegen. Zelfs geen hert. Alleen op de wereld in de Franse Alpen.

03 juni 2009

Doosje


Assen Witten Eemster Hijken
Laaghalen Diever Leggeloo

Wittelte Havelte Wapserveen
Veendijk Eursinge Dieverbrug

Nijeveen
Kolderveen
Wanneperveen

Zwartsluis Hasselt
Frankhuis Zwolle

Doosje
brug niet toegankelijk voor diepladers
(94 km; 27,6 gem.)

01 juni 2009

Muggenbeet


Het effect van de alpen: een rondje Giethoorn, Steenwijkerwold en de Weerribben (totaal 110 km) tegen een gemiddelde van 28,2 km per uur. Met fikse tegenwind kan ik nu opeens boven de 25 blijven en op de terugweg voor de wind ging het sneller en sneller en sneller tot ik Zwolle weer naderde met ruim 40 op de teller. Ik voelde me zowaar even wielrenner. En dan te bedenken dat mijn gemiddelde voor de alpen rond de 25 km per uur lag. Merkwaardig.
In Steenwijkerwold (glooiende velden, ik wist niet dat je dat in Nederland had) reed vriendin M. een wedstrijd. Mijn doel vandaag was Muggenbeet in de Weerribben. Maar dat viel een beetje tegen na de pracht van Steenwijkerwold. Mijn nek zit nu wel vol bulten.

31 mei 2009

De Franse Alpen, deel 4: het balkon


Simpel klimmetje, denk je, als je de weg naar 'het balkon' op de kaart ziet. Het balkon is de hoogteweg tussen Freney d'Oisans en La Garde (op de klim naar Alpe d'Huez) met schitterend uitzicht over het dal. Puy heet het plaatsje waar we naar toe moeten. Maar als we omhoog fietsten, blijkt het de hel in de kleren van de hemel. Prachtige omgeving dus, maar wel drie kilometer klimmen met een gemiddeld (!) stijgingspercentage van 11 procent. Naast me zit John mompelend verwensingen te uiten. 'Na deze bocht zijn we boven, toch?' Helaas, nog een bocht. Het is verschroeiend heet. En we hebben Les Deux Alpes al in de benen (vanuit het dal 17 kilometer klimmen, met een klein knikje, tegen gemiddeld iets meer dan 6 procent). John heeft me op die klim op een kwartier gereden, maar nu dansen we zij aan zij naar boven. En daar wacht de beloning: adembenemende vergezichten. Even later gaat de smalle weg naar beneden, met een heel laag stenen muurtje als enige afscheiding tussen ons en een afgrond van 500 meter diep. Ik ga niet harder dan 20 km per uur op de weg die bezaaid ligt met stenen die van de rotswand zijn afgebrokkeld. John is alweer uit het zicht verdwenen.

Wanneer wordt fietsen wielrennen?


Is er een verschil tussen wielrenners en fietsers? Natuurlijk, als je de sport in wedstrijdverband uitoefent, ben je een wielrenner ('Marijn fietst' is dus technisch gezien een onjuiste blognaam). Maar als je zelf, in je strakke pakje, recreatief op de racefiets zit, fiets je dan of wielren je? Bij toertochtjes in groepsverband lijkt het antwoord me ook duidelijk: kop over kop tegen de wind in stoempen doen alleen echte wielrenners. Maar wat als je, zoals ik gisteren, in het Vilsterse veld een landweggetje in fietst en, gezeten in het gras aan een slootkant, een kwartier tussen de boterbloemen en de libelle's naar de wolken aan de hemel staart? Ben je dan nog een wielrenner? Ik ben een eenzame fietser/wielrenner. Tegen de wind in mag ik graag aanpikken bij een groepje omdat dat nu eenmaal veel makkelijker fietst (nog liever rij ik in het zog van een tractor, zoals gistermiddag tussen Ommen en Hardenberg; moeiteloos rij je dan boven de 40 km per uur tegen de wind in, waardoor je je onmiddelllijk wielrenner voelt...). Maar over het algemeen fiets/wielren ik het liefst alleen. Je ziet veel meer van de omgeving (toch meer een fietser dus), het geeft je bij een zware tocht een heroischer gevoel (toch wielrenner), en je wordt helemaal teruggeworpen op jezelf. Het is een kwestie van karakter, denk ik: je hebt eenzame helden en helden die bij voorkeur in groepsverband opereren. Ik ben meer het type poor lonesome cowboy. Maar of ik daarmee nu meer fietser en minder wielrenner ben dan de keuvelaars die hun tochtjes bij voorkeur met medefietsers/-wielrenners maken...

27 mei 2009

De Burg. Honcooplaan is geen Alpe d'Huez


Nee, natuurlijk niet, Maar dankzij Alpe d'Huez ging ik vandaag wel makkelijk omhoog. Even voor Hattem gaat hij de Veluwe op, vlakbij een weide, de Burgemeester Honcooplaan. Als het echt omhoog gaat, rij je het bos in. Dankzij mijn nieuwe hoogtemetertje met percentages ontdekte ik dat de laatste vijfhonderd meter van de klim constant 5 % stijgt. Totale hoogteverschil: 31 meter. Nee, dan de Alpe d'Huez. Vorige week donderdag was het zover na een rustdag. Eerst koffie op een terrasje in Bourg d'Oisans en daarna meteen, de spieren nog koud, de berg op.

Alpe d'Huez, 13,3 km, 8,1 % gemiddeld.

Het is 12.43 uur als ik met William over de rotonde rij; voor me Symen en John, achter me Geert-Jan en Stefan. Harm is z'n handschoentjes vergeten en moet terug naar het terras. William stopt even voor de klim begint ('even iets rechtdoen', zegt hij). Ruud heeft Les Deux Alpes gedaan als voorbereiding en pikt aan bij Harm als die opnieuw naar de voet van de alp rijdt, nu met handschoentjes.
We zijn begonnen: John en Symen voor me, Geert-Jan haalt me in, ik schakel meteen terug naar mijn kleinste verzet (30-25). Dit is het moeilijkste stuk. Ik haal Geert-Jan weer in, maar zie John en Symen van me wegrijden. Zoals verwacht. Maar de benen zijn opmerkelijk goed, merk ik al snel. Ik rij moeiteloos 11 km per uur op het steilste stuk. Na een paar bochten heb ik Symen al te pakken. "Je kunt nog een tandje kleiner", zeg ik tegen hem als ik hem voorbij fiets. Een paar honderd meter voor me rijdt John. 'De Klepper' is de beste klimmer van ons groepje (na Ruud natuurlijk, maar die startte later). Een aangenaam rustpunt. Het gaat lekker, al vraag ik me wel af waar de anderen blijven. Symen reed hier, net als John, ooit binnen het uur omhoog, Harm had 1 uur 20 staan en Geert-Jan 1.10. Mijn doel vandaag: binnen anderhalf uur. Dus waar blijven ze?
Na een bocht of acht komt John steeds dichter bij. Wat gebeurt hier? Niemand die me inhaalt. Valt erg mee die klim, denk ik. Maar het is warm. Elke bocht drink ik wat. Volgens mij heb ik vandaag superbenen! Iets voor de helft haal ik John in. "Maak je niet ongerust", zeg ik tegen hem. "Ik stort nog wel in elkaar." Want dit kan niet goed blijven gaan, denk ik. Ik rij moeiteloos 12 km per uur, zie ik op mijn tellertje. En dat kan ik helemaal niet op zo'n klim.
Maar ik kan het vandaag wel. Niemand die me voorbijkomt, zelfs Ruud niet. Als ik de laatste bocht voor het dorp neem kan ik een paar bochten naar beneden kijken: niemand te zien. Geen John, geen Ruud, geen Harm, geen Geert-Jan. William was even daarvoor wel langszij gekomen. Bij Eric in de auto, opgegeven na twee bochten. Ik ga winnen! En ruim ook! Ik duik het tunneltje in maar heb geen flauw idee waar ik nu heen moet. Het is nog ongeveer een kilometer naar de finish weet ik, dus ik neem een weg omhoog. Na een paar helse bochten nadert het einde van het dorp. Ik herken het niet, maar hier zal het wel ongeveer zijn. Ik stop op een parkeerplaats. Het is 13.53 uur. In 1 uur en 10 minuten naar boven gereden met een gemiddelde van bijna 12 km per uur. Wonderen bestaan.

26 mei 2009

De Franse Alpen, deel 2: Col de la Croix de Fer


Col de la Croix de Fer vanaf Allemont; 27,5 km, 4,7 % gemiddeld (tussen km 12 en 14 gemiddeld ruim 11%)

Op de tweede dag (vorige week dinsdag) belandden we tussen de marmotten op de Croix de Fer. Fantastische klim! Loodzwaar in het begin door de hitte in de bossen, waarna een fijn terras wachtte bij de creperie van Rivier d'Allemont. Daarna de prachtige kronkel in de vallei, met een steile afdaling en een steile klim naar het stuwmeer en vervolgens vergezichten, sneeuw en marmotten in de 'eenvoudige', laatste kilometers naar 2057 meter.

25 mei 2009

De Franse Alpen, deel 1: Col de Sarenne


Col de Sarenne via Mizoen; 12,8 km, 7,8 % gemiddeld met een piek van 13,5 %

Op de eerste dag in de Alpen (vorige week maandag) dachten we te beginnen met een rustige beklimming door Alpe d'Huez 'van de makkelijke kant' te doen. Wie dat 'makkelijk' erbij bedacht had, weet ik niet meer, maar na de koffie in Freney d'Oisans (bereikt via een klim met 250 hoogtemeters die ook al aardig in de benen sloeg) begon een helse klim over vooroorlogse wegen. Ik schreef er de volgende column over voor Dagblad van het Noorden:

Col de Sarenne
Waarom doe je dit, denk je voor de tiende keer. Je hoort een donderslag in de verte en zet nog maar eens aan. Je fietst in de bergen, de handen losjes op het stuur, zweet druppelt van je gezicht op je tellertje. Het stijgingspercentage loopt weer op naar tien procent, zie je tot je verbazing. Dit zou toch een rustig ritje worden om te wennen aan de alpencols? Maar er zit nog tempo in: 10,8, 11,0, 10,8, 11,2 km per uur zegt het apparaat op je stuur, ook al barst je hart bijna uit elkaar.
Om je heen een desolaat landschap. Overal rotsen en kale hellingen, en geen mens te zien. Dit is een col uit de oertijd, schiet door je heen. Steenlawines hebben gaten in het wegdek geslagen en overal liggen rotsblokken en stenen waar je tussendoor slalomt. En je denkt: waar is die top in godsnaam? Toch niet bij die masten, die je vanuit je ooghoek een paar honderd meter hoger op een bergkam ziet staan? Opeens zie je honderd meter onder je een van je fietsmaatjes languit naast de weg liggen, uitgeput. Maar teruggaan is geen optie: nergens een plek om te schuilen als het noodweer losbarst.
Waarom doe je dit, denk je weer. Maar als je eenmaal boven staat tussen de sneeuw, bij die masten, en de koude wind om je oren suist op 1999 meter hoogte, weet je het weer. Bergop fietsen is een oerinstinct, een mythische reis naar het onbekende. Je wordt gedreven door dezelfde drang die je voorouders tienduizenden jaren geleden Afrika deed verlaten.
En je gaat weer verder in je eigen heldenverhaal. Over rampzalig slechte wegen naar beneden, door een riviertje heen, tot je bent afgedaald naar Alpe d'Huez en de weg weer glad wordt. En je denkt: weer een berg veroverd op de wereld.

Naschrift. Ik heb een theorietje: wielrennen is geen sport, maar een verhaal; het is geen spelletje, maar een afspiegeling van het leven zelf. Dat maakt het tot de mooiste sport (ook al is het dat dus niet) op aarde, zowel in wedstrijdverband als recreatief. Bij wedstrijden gaat het verhaal over winnaars en verliezers, helden en hun helpers, verslagenen, strijd, bedrog en complotten. De toerfietser schrijft zijn eigen oerverhaal. Elke tocht is een queeste, waarin de toerfietser de wijde wereld in trekt om zijn horizonten te verbreden. Zoals de held in een verhaal zijn vertrouwde wereld verlaat en op zoek gaat naar datgene wat de verstoring van de orde in zijn thuiswereld kan herstellen, zo verlaat de toerfietser keer op keer zijn huis om zijn verstoorde innerlijke orde te herstellen (of zichzelf terug te vinden) tijdens zijn tochten. En zoals je een goed verhaal steeds kunt herlezen (of een goed liedje wel honderd keer kunt beluisteren) kun je ook best steeds hetzelfde tochtje maken, want je vindt steeds iets nieuws (een veld boterbloemen of een verloren herinnering, bijvoorbeeld) of je hervindt je verloren rust. En denk nu niet meteen: 'Wat een gezwets!' Ik ben ervan overtuigd dat wielrennen aan een diep menselijk oerinstinct appelleert. Later meer hierover.

16 mei 2009

Boterbloemen langs de IJssel


M. en ik fietsen (heel zelden) ook wel eens samen. Zoals vanmiddag, een rondje Kampen via de dijkjes aan weerszijden van de IJssel. Dat is mijn zomeravondrondje van 40 kilometer, dat onder meer door Wilsum voert, met zijn kerkje uit 1050 (de op drie na oudste van Nederland). Vanmiddag overheerste het geel: de dijkjes waren bezaaid met boterbloemen, met tussendoor ook wat korenbloempaars, zuring en paardenbloempluisjes. Erg fraai allemaal natuurlijk maar ik moest vooral op M. letten. M. is aan het herstellen van een zware val, twee weken geleden. Ik kan u melden: het herstel verloopt voorspoedig. Op de heenweg moest ik haar heel even uit de wind zetten, maar op de terugweg werd ik bij Zalk alweer ouderwets gelost. Het was een laatste test voor mijn knie, alvorens ik morgen met collegae naar de Alpen vertrek. Voorlopig blijft het hier dus even stil. Over anderhalve week wachten u heldenverhalen over de beklimming van de Galibier, Alpe d'Huez, Les Deux Alpes en (o gruwel) de Collet de Vaujany (10 km, 9,5 % gem). Als de knie het houdt dus. Anders zult u het moeten doen met leesverslagen van Johan Fabers Alpe d'Huez en De brief aan de Romeinen van Karl Barth. Ook buitengewoon interessant natuurlijk.

13 mei 2009

De geur van vroeger

De geur is terug. Dat is een van de voordelen van de stijgende voorjaarstemperaturen. Als je 's winters fietst, ruik je veel minder. Vandaag, tussen Hardenberg en Beerze, bracht de geur van pas gemaaid gras op de velden tussen de bossen, me weer even terug naar een bergflank in Zweisimmen, waar ik als zesjarige 's zomers een keer een skistok vond. Daar rook het ook zo. Maar als ik langs het kanaal bij Vroomshoop weer heel sterk pas gemaaid gras ruik, komen andere beelden op. Raar fenomeen, geur. Dat werkt blijkbaar toch in combinatie met wat je ziet. Of misschien was die geur langs het kanaal door het nabije water toch net even anders. Bij de houtzagerij in het Rechterense Veld rook het naar zo'n klein stationnetje met een tandradtreintje. Ook een beeld uit het Zwitserland van mijn jeugd. Het zal wel een of ander impregneermiddel zijn.
Door al die geuren - de bossen ruiken ook weer zo lekker houtig! - ga je heel associatief denken. We denken wel dat we logisch handelende wezens zijn (en heel soms zijn we dat ook), maar voor ons welbevinden is associatief denken veel belangrijker. Ik voelde me intens gelukkig toen ik vanmiddag die bergflank rook en ik zou niet weten waarom.
En waarom besloot ik in Lemele opeens rechtsaf te slaan waar ik dat nog nooit eerder had gedaan? Niet omdat ik wist dat me aan het eind van het weggetje een prachtig uitzicht op de omgeploegde flanken van de Lemelerberg wachtte. Misschien rook ik het onbewust wel...
(Ik zat dus weer op de fiets vandaag. Mijn knie is nog een beetje dik, maar erg veel last had ik er niet van. En denk niet dat ik enorme afstanden heb afgelegd. Vroomshoop klinkt ver weg, maar dat is het niet als je vanuit Zwolle eerst met de trein oostwaarts rijdt naar Gramsbergen vanwege een straffe oostenwind. Mietje? Nou ja, 't is niet anders.)

11 mei 2009

Lichamelijke geschiktheid: ok

Denk nu niet: 'O jee, die kop heb ik eerder gezien; hij gaat toch niet ook...'. Nee, ik ga geen - ik herhaal: geen - topsportcarriere beginnen ook al stond dit inderdaad ook boven een van M.'s eerste bijdrages. Maar, toegegeven: ik heb vandaag ook een sportmedische keuring ondergaan. Dat heb ik echter gedaan met het oog op het komende weekje fietsen in de Alpen. Ik wilde gewoon even weten hoe groot de kans was dat ik dood neer zou vallen halverwege de beklimming van de Glandon of de Alpe d'Huez. Vorig jaar, tijdens de beklimming van de Grosse Scheidegg (16,4 km; 7,7 % gemiddeld; pieken tot 20 %) had ik namelijk - zoals wel vaker tijdens het fietsen - ook al het idee dat mijn hart het zou begeven.
En dus zat ik vanmiddag in het ziekenhuis met ontbloot bovenlichaam op de fiets, zuignapjes op mijn lijf, een mondkapje voor en trappen maar, steeds meer watt. Het begon bij 150 en bij 250 begon het zwaar te worden. Bij 275 watt had ik normaal gesproken opgegeven, maar door de aanmoedigingen van de arts, de assistent en de technische man bleef ik doorgaan en hield ik ook nog een minuut 300 watt trappen vol. Maar toen brak ik gelukkig mentaal (zoals gebruikelijk). Geen bloed geproefd, maar het zweet stroomde van mijn lijf.
De resultaten. Vetpercentage: 12,8 ('erg laag meneer!', zei de sportarts), maximale hartslag: 192 ('erg hoog voor uw leeftijd meneer!'), wattage: 4,2 per kilo lichaamsgewicht ('erg hoog voor een recreatieve sporter'). Conclusie: 'U bent prima in conditie!' Even daarvoor hadden maar liefst drie artsen naar het vocht in mijn rechterknie gekeken (de reden dat u een week heeft moeten wachten op deze bijdrage) met als uitkomst: de Alpen in en snel een beetje. En als de knie dikker wordt gewoon iboprufen slikken tegen de zwelling. Ik heb geen excuses meer.